Posts tonen met het label over mezelf. Alle posts tonen
Posts tonen met het label over mezelf. Alle posts tonen

dinsdag 4 juni 2024

Zwolle, 18 juni 1978

Vandaag kreeg ik een brief van mijn moeder, aangetekend nog wel. 

Voorzichtig open ik de envelop. Om het dunne papier niet te beschadigen is een op maat gesneden stukje karton meegestuurd in de envelop. Zorgvuldig en liefdevol, zodat ik dit kostbare pakketje onbeschadigd zou ontvangen.

Rechts bovenaan staan de plaats en de datum van schrijven: Zwolle, 18 juni. Zonder jaartal.

Ik weet het jaartal wel: 18 juni 1978.  De brief is niet gericht aan mij, maar aan vrienden van mijn ouders. En Zwolle is niet de woonplaats van mijn moeder op dat moment, maar daar stond het ziekenhuis waar ze lag, al ruim twee weken schrijft ze. Ik herken het handschrift van mijn moeder, maar het is onregelmatiger dan ik gewend ben. Geschreven in een ziekenhuisbed, misschien met een tijdschrift als ondergrond, onderbroken door onderzoeken, bezoekuren en vermoeidheid.


46 jaar lang is de brief bewaard, ergens tussen een stapel papieren. Ik stel me zo voor dat het tijd werd om eens wat op te ruimen, de stapels met papieren eens door te gaan. Geboortekaartjes, vakantiegroeten, overlijdensberichten, misschien een brief over het schoolreisje van de kinderen, of een tekening die ze maakten. Wat kan bij het oud papier? Wat bewaren we? 

En toen deze brief. Misschien hielden ze de adem even in; een brief van Coba. Wat doen we? Bewaren? Maar wat doen we er nog mee? Maar bij het oud papier... dat kan ook niet. Nee, dat voelt niet goed.

En zo kwamen ze bij mijn tante. Of zij misschien belangstelling had voor deze brief, die lang geleden werd geschreven door de jonge, zieke vrouw van haar broer. Zeker had ze belangstelling,  niet voor zichzelf, maar om hem zorgvuldig met een kartonnetje in een envelop te schuiven en aangetekend op te sturen. Naar mij.

En nu heb ik een waardevol document, een puzzelstukje dat ik nog niet had. Ik heb een map vol brieven en kaarten die mijn moeder kreeg toen ze in het ziekenhuis lag. Beterschapswensen, hartelijke groeten, een brief van iemand die met haar de zondagsschool leidde,  ook een brief van de vrienden aan wie mijn moeder schreef, en een getypte brief van mijn opa, waar mijn broer en ik op dat moment tijdelijk woonden, en die smakelijk vertelt over hoe het ons vergaat. Het gaat goed. We eten ze de oren van het hoofd ("We moesten ze gewogen hebben!") en ze moeten wennen aan hoe vroeg we wakker zijn. Maar ook "Ze zijn zo leuk en blij". 

Maar een brief de andere kant op, van mijn eigen moeder, die had ik nog niet. Nooit heb ik iets gelezen over hoe ze het zelf heeft ervaren, het ziek zijn, de onzekerheid, het niet weten. Want dat is wat ze schrijft: ze weten nog niets. Ze heeft pijn en ook koorts, en is afgevallen, nog maar 59,4 kg weegt ze. Maar waar het van komt, ze weten het niet. Als ze daar nou maar achter komen, dan kunnen ze iets gaan doen. Ze is rustig, geduldig en vol goede moed. 

Een paar dagen later, op woensdag 21 juni, weten ze meer. Weten ze meer dan ze ooit hadden willen weten. En 2 dagen later komen de eerste brieven en kaarten binnen waarin geen beterschap meer wordt gewenst, alleen nog maar sterkte, Gods zegen en in onze gebeden zijn we bij jullie.

Voorin de map met kaarten, in het plastic inschuifhoesje, zit het in memoriam dat de dominee in het kerkkrantje schreef: Op 10 september is naar haar vader in de hemel gegaan Coba Bos, nog maar 31 jaar oud. 

En daarna lovende woorden over hoe ze haar ziekte droeg, zoals het hoort in een in memoriam, maar de woorden voelen gemeend. Bewondering voor een moedige, gelovige jonge vrouw die wat er gebeurde in rust kon aanvaarden. Ik bekijk het met de brief in mijn hand met nieuwe ogen. 

Vandaag is mijn moeder weer een beetje dichterbij gekomen, is mijn beeld weer een beetje completer. Weer iets meer om te koesteren.

Hoewel ik nog maar 5 was toen ze overleed, denk ik dat ik mijn moeder inmiddels aardig ken. 

Mijn tante schreef: Ik herinner me haar als een zeer lieve moeder die altijd met jullie bezig was. Huishouden stond bij haar op nummer 2.

Ik wist het wel... ik lijk op haar!


zondag 10 september 2023

Balanceren

Vol verwondering kijk ik naar vandaag.

Vandaag is het 45 jaar geleden dat mijn moeder overleed. Dat zou me niet moeten verbazen, ik heb het tenslotte al een poosje aan kunnen zien komen. Maar als ik erover nadenk, ben ik totaal verbaasd over de bizarre verhoudingen. 

5:45
1:9


Vijf jaar lang had ik een moeder. Vijfenveertig jaar leef ik zonder haar door. Vijfenveertig van de vijftig. Negen tiende deel.

Nou ja, zonder haar, da's natuurlijk niet helemaal waar. Ik weet het nog, die jaren dat ze er wel was. Hoe ze me troostte toen ik mijn vingers tussen de deur kreeg. Hoe ze me zo vertrouwde dat ik met mijn 5-jarige zelf naar de winkel mocht om twee pakken melk te halen. Hoe ze me leerde breien. Hoe we spelletjes deden, en dat ze voor mij een jurk maakte voor de bruiloft van mijn oom en tante, van dezelfde stof als van haar eigen jurk. Ik noemde het mijn grotemensenjurk en stond stralend en trots op de foto.


Zelfs dat wat was voor ik bewust herinneringen maakte leeft nog in mij. Hoe we elkaar voor het eerst zagen, toen ik net op haar buik was gelegd na een vliegende stuitbevalling, hoe ze me droeg, hoe ze naar me keek, hoe ze zag hoe ik groeide, haar trots toen ik mijn eerste stapjes zette,, haar ontroering toen ik voor het eerst mama zei. 

Ik weet het niet meer, niet echt, maar het is niet weg. Het is er nog.

Ik balanceerde de afgelopen week een beetje over het randje van gevoel. Niet zwaar. Zwaar balanceren is gevaarlijk, want als je valt, dan val je hard. Ik balanceerde luchtig en lichtvoetig tussen wat er te voelen was door, mijn evenwicht bewarend, soms een beetje wiebelig en als het nodig was ben ik er gewoon even bij gaan zitten. Ik weet het al lang, gevoel wil gevoeld worden en er in meegaan is echt makkelijker dan het buiten proberen te houden.

Ik balanceerde langs het gevoel van 5 en 45, langs de moeder van een vriendin die met pensioen ging, langs een heerlijke middag met mijn eigen meiden, en het besef dat ik niet had wat zij hebben, en dat mijn moeder nooit heeft gekend wat ik nu heb. Langs een lieve collega die 39 werd, en het besef dat ik al lang zonder moeder verder ging toen zij nog in de hare groeide.

Ik bewaarde mijn evenwicht langs ouders van een kleuter, die niet samen door een deur kunnen en hun kind, dit kind dat nu ongeveer zo oud is als ik toen, niet boven hun eigen gedoe kunnen plaatsen, langs mensen die klagen hoe zwaar het is dat ze elke keer maar voor hun oude moeder moeten zorgen, en langs de buurvrouw, die haar ouders uitzwaaide en heel goed beseft hoe gelukkig ze met hen is.

Vanochtend zong ik met mijn koor, het koor waar ik al 35 jaar bij zing en dat daardoor ook zo bijzonder is. 15 jaar zonder, 35 jaar met. Ik een groep die ik ken en waar ik me gekend weet.

Ik balanceerde langs onze dirigente, die met haar kwieke in-de-80 nog enthousiast voor ons staat te zwaaien, maar die ook nog weet wan die keer dat ik, een paar maanden na het overlijden van mijn moeder, bij hen op bezoek was, een klein grietje van vijf, dat lekker op haar hoogzwangere schoot kwam zitten.

Ik wiebel door de dag, door de week. en ik wiebel met een glimlach. 

Zoals mijn moeder mij kende, zo kende niemand mij, en zal ook nooit iemand mij meer kennen. En zoals ik haar kende.... zoals ik haar ken, zo kent niemand anders haar. 

 Alles, alle herinneringen die ik wel en niet heb, alles wat was, zit in me. Zij zit in me.



zondag 20 juni 2021

Ubi caritas et amor

 Kampereiland, Kerk

Wat gek is dit. Het klinkt net als anders. De stem is hetzelfde, de intonatie, precies zoals altijd. 

Kampereiland, Witte Brug

Ik verbaas me over hoe gewoon het voelt, in de bus op weg naar de koorrepetitie. De koorrepetitie van het koor waar ik al 33 jaar bij zing. En 5 dagen. Het is 33 jaar en 5 dagen na mijn eerste uitvoering met de Cantorij. Wij van de Cantorij deden mee aan een concours en we wonnen. En hoewel ik al wat langer mee repeteerde, is 15 juni mijn jubileumdag, samen met de koorvriendin die ons toen voor het eerst hoorde en die ook nog steeds meezingt.

Bunschotenlaan, u kunt hier uitstappen voor de Talmahof.

Het voelt zo gewoon. 2 uur heen, 2 uur terug met fiets, bus en trein, om 1,5 uur te zingen. Want dit koor, deze mensen, ze passen om me heen als de fijne jas die ik op een dag als vandaag in mijn rugzak laat zitten. Geen groep mensen waar ik me zo thuis voel als bij de Cantorij.

Diemenlaan, u kunt hier uitstappen voor de Diemenhof.

Zo gewoon, maar tegelijk… man, wat bijzonder is dit.  Sinds maart vorig jaar hebben we niet meer gezongen. Een jaar en ruim 3 maanden geen Tallis, geen Gjeilo, geen Whitacre, geen Bach, geen Sweelinck, geen Byrd. Geen sopranen, geen alten, geen tenoren, geen bassen, geen dirigente. Wat heb ik het gemist, wat heb ik hen gemist.. De wereld kwam tot stilstand met een doffe dreun. Geen contact, geen knuffels, geen volle klassen, niet reizen en zeker niet zingen. Ons jubileumconcert ging niet door en de vervangende datum ging ook geruisloos voorbij.

Bij het busstation stap ik uit. Ik word opgepikt door cantorijvrienden en samen gaan we naar het huis van de dirigente. Onder de grote magnolia midden in de heerlijke tuin zingen we een van onze favorieten, Lieve Magnolia. We hebben er een stuk of 60, favorieten, we hadden wel 3 jubileumconcerten vol kunnen zingen.

We zingen wat nieuwe stukjes, prima vista. “Een beetje koor zingt dit zo weg.” En we zingen wat oude bekenden die we bijna of helemaal uit ons hoofd kennen. We zijn niet een beetje koor, we zijn koor van onze kruin tot aan onze tenen, van binnen en buiten. Wat is het heerlijk om weer te zingen, samen, van nog een beetje voorzichtig met onze uitgedroogde stemmen de noten proeven tot voluit en heerlijk samen muziek maken.

Ubi caritas et amor, Deus ibi est.

Vriendschap en liefde in overvloed, en God stuurt vogels om met ons mee te zingen.

 

donderdag 14 januari 2021

Iets minder uppie

Tip 1: We merken dat o.a. de telefoon een grote afleiding is tijdens de online lessen. De groepsapp/WhatsApp wordt veelvuldig gebruikt. We horen dat in sommige gezinnen de telefoon elders moet liggen tijdens de lessen. Wellicht zou dit ook voor uw zoon of dochter kunnen werken. 

Samen met mijn jongste dochter lees ik de mail van haar mentoren door. De kinderen hebben alweer  een poosje online les via Zoom. Prima geregeld op haar school, maar het is natuurlijk niet zoals anders. En als je afgeleid wordt door appende klasgenoten is het nog moeilijker opletten. Mijn dochter is niet een van de grootgebruikers van de groepsapp. Er wordt een hoop in geouwehoerd en ze heeft niet zoveel behoefte zich erin te mengen. Maar als ik begin over telefoon beneden laten, zie ik aan haar dat dat niet goed valt. 
"Nee, ik app niet, ik Facetime met mijn vriendinnen tijdens de les."' Hmmm... wel heel eerlijk, maar of dat nou de bedoeling is.... Ik deel mijn bedenkingen. begin over afleiding, misschien toch telefoon beneden, niet verstandig en meer opvoedkundig gewauwel. 
Er verschijnen tranen in de ogen van dochter die ik niet had zien aankomen. Hier is meer aan de hand, dit is belangrijk. Ik probeer het nog even met Facetimen tijdens pauzes, niet tijdens de les, of wel tijdens samenwerken, maar verder niet. In tranen vertelt ze dat ze dan maar heel weinig tijd overhoudt, want de leraren geven niet zoveel tijd om samen te werken. Logisch, de lessen zijn al verkort van 80 minuten naar 50 minuten, daar moet een hoop informatie in worden gepropt.

En dan zie ik mezelf zitten met mijn vriendinnen op de middelbare school. Naast elkaar, luisterend, fluisterend, oplettend, giebelend, werkend, overleggend, zwijgend en kletsend. Bij de ene les waren we drukker dan bij de andere. We wisten precies bij welke leraar we wel wat konden maken en bij wie we echt stil moesten zijn. Bij wie we de stopwoordjes openlijk konden tellen, bij wie we niet verder moesten gaan dan blikken wisselen achter een  omgedraaide rug. Soms kregen we op ons lazer omdat we niet op zaten te letten.  De jongens voor ons kregen strafwerk omdat ze naar ons omgekeerd zaten, reuzegezellig. Wij maakten de helft, eerlijk is eerlijk. Natuurlijk merkte de leraar het, hij benoemde mijn herkenbare slordige handschrift met een onverwachte vleug waardering in zijn stem. Soms bleven we na de les even hangen om een vraag te stellen, of we maakten even een kletspraatje in de wandelgangen.
Als het regende, kon het zomaar gebeuren dat mijn vriendin, die een slordige 15 km naar huis moest fietsen, zei: "Ik heb geen zin om te fietsen hoor, ik blijf wel bij jou slapen." We waren samen, hadden lol, werkten hard, maar we waren samen.

Mijn kind zit nu, net als haar klasgenoten en de rest van de jonge mensen in Nederland, in haar uppie op haar kamer haar lessen te volgen. Ze werkt keihard. In haar uppie. Elke ochtend gaat ze naar boven, school aan haar bureau. In haar uppie. Een lijstje met zoomcodes op haar bureau in plaats van lokaalnummers waar je kletsend naartoe wandelt. Camera aan, microfoon uit. Gezien, maar niet gehoord.  Natuurlijk mag je vragen stellen, maar de drempel is hoger dan even blijven hangen na de les en de wandelgangen zijn kort en zonder kletspraatjes. Na schooltijd maakt ze huiswerk. In haar uppie. 
En ik besef: Facetime is haar kletsen. Haar overleggen, haar giebelen, haar samenwerken, haar blikken wisselen. Haar horen en gehoord worden.

Ik gun het haar, en ik wil het haar niet afnemen. We spreken af dat ze zelf de verantwoordelijkheid heeft om tijdens belangrijke en ingewikkelde instructies Facetime uit te zetten, maar dat ze van mij verder haar gang mag gaan. Kletsen, overleggen, elkaar helpen en elkaars vragen beantwoorden. En misschien krijgt ze een keer op haar lazer als ze niet op zit te letten. Daar zit ik niet zo mee. Dat leert ze vanzelf bij welke leraar je wel kunt kletsen, en bij wie je echt stil moet zijn.

Ik gun het haar, iets minder uppie, iets meer samen.

dinsdag 27 oktober 2020

Antieke handwerkjuf, met knot

 "Wat leuk toch he, die sieraden van leer..."
"Nee mevrouw, dit is klei, en ik heb het zelf gemaakt."

Verbouwereerd staarde mevrouw Van der Kamp me aan. Even was het stil en toen zei ze: "O... dan ben je op een bepaalde manier toch nog wel creatief...."

Mevrouw Van der Kamp was onze handwerklerares. Zo'n antieke, met een grote knot in 't haar. Ze kwam uit Barneveld en ze rook een beetje naar sigaren. Daar kon ze niet zoveel aan doen, haar man rookte, tot haar verdriet. 't Arme mens deed erg haar best om een klas vol pubermeiden met andere dingen aan hun hoofd enthousiast te maken voor haar vak.  Dat lukte maar matig. Er werd veel gekletst, minder gewerkt, en regelmatig verdween een klasgenoot naar de kantine, die zich bij wijze van gelukkig toeval bijna naast het handwerklokaal bevond. Dat had mevrouw Van der Kamp waarschijnlijk wel een beetje door ("Waar is Amandel nou weer gebleven?:" "Harmanda (zoals Amandel eigenlijk heette)  is even naar de wc, mevrouw."), maar misschien vond ze het eigenlijk wel gemakkelijk dat deze leerling haar werk thuis maakte en niet haar les verder verstoorde. 

Hoewel ik echt mijn best deed, waren mijn werkstukken meestal niet meer dan broddellapjes en sneue, slordige frutselwerkjes. Ik begreep haar verbazing over mijn sieraden dan ook best. Weinig subtiel, maar wel begrijpelijk. Ik was een hopeloos geval op handwerkgebied, zoveel was duidelijk.

Later, toen mijn vriendin en ik nog even na een les iets aan het opruimen waren, zei ze tegen me: "Ik weet hoe het zit bij jou thuis hoor... dat jij geen moeder hebt om je te helpen. En ik heb ook wel door dat van veel anderen het meeste werk thuis door hun moeder wordt gemaakt. Daar houd ik in mijn beoordeling wel rekening mee hoor!" Nu was ik een beetje verbouwereerd. Misschien nog meer om het feit dat ze wel doorhad hoe het bij de rest thuis ging dan om het feit dat ze wel bereid was mij een beetje te matsen. Ik mompelde een "dank u wel" en verdween, in het vertrouwen dat ik de rest van het jaar wel zeventjes zou halen. 

Soms denk ik nog wel aan mevrouw Van der Kamp. Ze moest eens weten. Wat zou ze zeggen, als ik haar de broek liet zien, die ik vandaag afmaakte? Ze zou in ieder geval eerst aan de binnenkant kijken, want aan de binnenkant zie je hoe netjes er gewerkt is. En daar zou ze zien dat ik alles keurig afgewerkt heb. En aan de buitenkant zou ze zien hoe mooi de ruitjes op de zijnaden doorlopen, hoe de pijpen precies even lang zijn, hoe mooi de figuurnaden erin zitten. En ze zou me een...misschien wel een 9 geven, zonder te matsen. 

donderdag 8 oktober 2020

Maar mijn klompjes bleven droog!

Daar stond ik, 5 jaar, de familie om me heen. Opa en oma waren 35 jaar getrouwd, en we vierden dit op Ekenstein,, een landgoed met restaurant, speeltuin en kinderboerderij vlakblij hun woonplaats. Alle dames waren in het lang, conform de mode van die tijd. Ook ik had een rok tot op mijn voeten, de zwarte bloemetjesrok met gekleurde linten die mama had gemaakt voor de bruiloft van mijn oom en tante.

Maar nu zag je mijn rok en mijn witte feestbloes niet zo goed, want er overheen droeg ik een schort, blauw-wit geruit. En aan mijn voeten de mooiste klompjes die er maar bestonden: Met houten zolen en rode leren bovenkanten met gele appeltjes, en een bandje bij mijn hielen. Het schortje dat ik aanhad was ook zelfgemaakt, maar dan door mijn tante. en het gedichtje dat ik voor opa en oma ging opzeggen had zij uitgezocht en aan mij geleerd. 

Het begon zo:

Kleine Yvonne had nieuwe klompjes
O, wat was Yvonne blij.

En het ging verder over hoe ik door de straten stapte. Parmantig, dat woord kwam er vast in voor. Maar toen ging het regenen, en o, o, die mooie klompjes! Maar kleine Yvonne was niet voor een gat te vangen, en deed haar klompjes snel uit. Ze stopte ze in haar schortje en liep op kletsnatte kousenvoetjes naar huis. Het versje, dat in mijn belevenis best lang was, maar dat ik helemaal uit mijn hoofd kende, inclusief uitgetrokken klompjes die ik in mijn schortje deed, eindigde met

Maar mijn klompjes bleven droog! (of schoon, daar wil ik afwezen)

Natuurlijk was het verdrietig dat mama het niet meer kon, een versje zoeken en het mij leren, een schortje naaien, maar wat ik mij herinner is dat ik trots was op hoe goed ik het gedichtje kende, en hoe mooi de klompjes waren en dat we aan de salontafel, een jaren-70-model met tegels en een zware houten rand, zaten om het te oefenen. En dat ik, o groot geluk, achteraf de klompjes en het schortje mocht houden.

Het weer was vandaag zoals het had kunnen zijn tijdens mijn versje. Regen, plassen, modder op het plein. Gelukkig werd het droog, en konden we de kleuters even lekker laten luchten buiten, en onszelf ook. Sommigen hadden laarzen aan, niet slecht bedacht voor dagen als deze. Voorzichtig liepen zij door de ondiepe plassen. De diepste plas was verboden terrein en dus onweerstaanbaar. Al snel stonden er aan de rand wat kinderen met takjes te roeren, zand te gooien en misschien met een klein stukje laars  heel per ongeluk toch te kijken hoe diep het was. 

En toen kwam blond miepje. Blond miepje had geen rubber regenlaarsjes, maar mooie zwarte schoenen aan. En dat maakte blond miepje helemaal niets uit, want met mooie zwarte schoenen kun je gerust in de diepe plas. Daar worden ze wel nat van, dus achteraf gezien was het misschien toch een beter idee geweest om ze uit te trekken. Dat kon natuurlijk nog steeds wel... Al gauw stond blond miepje, net toen er even geen juf haar kant uit keek, met haar zwarte maillot in de diepste plas van het plein. 

Even later zat ze op de grond in de klas, verbaasd, en misschien zelfs wel een beetje verontwaardigd dat de juf dit geen goed idee vond, zich uit haar maillot te wurmen. Droge broek aan, droge sokken aan, en de natte zooi met een briefje voor mama in een plastic tasje. 

En haar mooie zwarte schoenen.... die bleven dus niet droog, daarin ging ze zompend naar huis.


donderdag 17 september 2020

Ik ben zés!

 "Ik ben zés!" Stralend staat ze voor me, een mollig handje opgestoken, en van de andere nog een vinger ernaast. "Ja lieverd, jij bent zes he?" Ik wist dat namelijk al. Vorige week was ze ook al zes, de week ervoor had ik zelf haar feestmuts gemaakt. 

Dat blijkt nog best een dingetje trouwens, het maken van een feestmuts. Ik had ze natuurlijk al honderdduizend keer voorbij zien komen, dus toen mijn duo vroeg of ik het maken van de feestmutsen op me wilde nemen, zei ik dat ik dat best wilde doen. Op Pinterest staan talloze voorbeelden, en de muts van meisje dat 6 werd stond keurig een paar dagen van tevoren klaar. Een Elsamuts, met jurk. Alleen bleek ik te dunne stroken te hebben gebruikt, waardoor het ding een beetje jammerlijk op haar hoofd bungelde. Het mocht de feestvreugde niet drukken, en ik ben op zoek gegaan naar steviger stroken om te zorgen dat de volgende muts de hele dag fier op een jarig hoofd zal staan.

Een jonger klasgenootje was gisteren vier geworden. Vier is ook heel groot. Ze had een telefoon met geluidjes gekregen en vertelde honderduit. Vandaag was ze voor het eerst echt op school, niet meer om te wennen.

"Wie is er ook vier?" Een groot deel van groep 1 steekt zijn vinger op. "En wie is er vijf?" De rest van groep 1 en het grootste deel van groep 2. En een dubbele vinger. Ze is vier en vijf, kan gewoon. 
"En..... wie is er zes?" Naast mij, ze is hulpje vandaag, gaat een enthousiaste vinger omhoog. "Ik! Ik ben zés!"Nog een paar vingers, iemand van bijna zes en... o ja, dat meisje dat ook al vier en vijf was. 

"En wie is er nog ouder dan zes?" Slechts twee vingers deze keer: Die van mij, en als je vier, vijf en zes bent, kun je natuurlijk ook gerust nog ouder zijn.
"Hoe oud ben jij dan juf?" "Wat denken jullie?", kaats ik de vraag terug. Nu barst het los.
"24!"  "Ehm... nee, ouder."
"66!"  "Jonger."
"21!" ..."61"... "50"... "34" Van alles komt voorbij, van jong tot oud, zonder enige samenhang. 

"41!" Ah, dat komt in de buurt. 
"Nou, jij zit wel dichtbij... het is wel iets met 40, maar meer dan 41."
"40!" "Nee, meer." 
"48!"  "Bijna! Ik ben bijna 48. Hoe oud zou ik dan kunnen zijn?"
"421" ..."35!" 

Ik besluit nog wat meer te helpen. "Ik ben bijijijijna 48. Ik ben zevenen..." "Twintig!" klinkt het als bij toverslag uit een stuk of vijf kelen tegelijk. Ik geef het op. 
"Nee, ik ben niet 27, ik ben 47."

Naast mij gaan een mollig handje en een losse vinger omhoog. "En ik ben zés!"


vrijdag 11 september 2020

Kleuterjuf

 Opeens ben ik kleuterjuf. Nou ja, opeens, ik wist het vlak voor de vakantie: Een keer per week, groep 1/2, een klas die ik niet ken, op een school die ik niet ken, in een plaats die op een klein bus- en loopuur van mijn huis ligt. Ik stond niet te springen, maar gelukkig heb ik een lieve oud- en nieuwcollega waar ik mee kan meerijden, en op de nieuwe school werken nog een paar oud- en nieuwcollga's. Niet dat we al champagne en oliebollen hebben gehad, maar het was een leuk weerzien. Ook de sfeer in de rest van het team is prettig, en het welkom de onderbouw ronduit warmhartig. 

Ik moet mijn kinderen nog een beetje leren kennen. al ken ik inmiddels de namen wel. 4 van de namen beginnen met de klank Djee, op 3 verschillende manieren geschreven. Een zeer divers groepje kinderen, met grotere uitschieters in gedrag dan ik gewend ben. 

De eerste dag was pittig. Geen wonder. Mijn vuurdoop was het uitleggen van het kiesbord, terwijl de luizenmoeders telkens een stuk of 5 kinderen meenamen en die 1 voor 1 weer terug lieten komen. Tel daarbij op de hele dag regen en, nou ja, dat is eigenlijk al genoeg om de dag tot een zeer gematigd succes te laten verworden. 

De tweede dag gaat al een stuk beter dan mijn debuut. Ik vind mezelf een beetje terug en heb meer grip op de zaak. Tijdens de kring  aan het begin van de dag ligt er een blond ventje onder de tafel op zoek naar gekkigheid en grenzen. Die  grenzen vindt hij als hij samen met een klein, zwartharig meisje, dat de verleiding niet heeft kunnen weerstaan en inmiddels bij hem ligt, de inhoud van de legobak tussen de benen van hun klasgenoten door de kring in zwiept. Onder de tafel liggen kan ik negeren, Lego zwiepen niet.

Was dit vorige week gebeurd, dan had ik door de klas gebulderd dat ze onmiddellijk moesten stoppen. Gelukkig gebeurt het nu. Ik loop naar de bewuste tafel en zeg: "Blond ventje en zwartharig meisje, kom maar even bij mij." Iets in mijn stem moet de boodschap hebben bevat dat het menens was, want ze komen braaf uit hun schuilplaats en lopen zonder verder gedoe mee. Ik zet ze ieder op een stoeltje buiten de kring, "Ik ga zo meteen met jullie praten", en ga door met mijn bezigheden. Er worden blikken gewisseld, er wordt wat gegiebeld, maar een strenge blik van mij als ze er weer vandoor willen, lijmt ze vast op hun plek. 

De rest van de groep is gelukkig al een beetje verder met het begrijpen van het kiesbord en het kiezen verloopt relatief vlot. De kleuters zwermen als een bijenvolkje uit over de verschillende pleinen, een deel van mijn volkje vliegt weg, er komen kleuters van de twee andere volkjes bij.

Te midden van de drukte van de kleuters die om me heen zitten te spelen heb ik mijn strengejufmomentje met blond ventje en zwartharig meisje. Was dit de bedoeling? Mag je met lego gooien? Kun je gewoon in de kring zitten? Als we met de spullen gaan gooien wordt het een grote bende in de klas en gaat het speelgoed stuk, dat willen we niet. Braaf geschud en geknik van twee hoofdjes die ook nog niet zo goed weten wat voor vlees ze met deze nieuwe juf in de kuip hebben. Wennen gaat twee kanten op, dat begrijp ik best. "Nu gaan jullie samen de Lego opruimen en dan kom je weer bij mij. Dan gaan we samen kiezen naar welk plein je gaat." 

Samen de Lego opruimen blijkt nog niet zo eenvoudig. Tussen de andere kinderen door kruipen om alles te vinden, de bak zo neerzetten dat je opruimmaatje er niet bij kan, en eigenlijk is bouwen leuker dan opruimen... maar het gaat langzaam de goeie kant op.

"Kijk blond ventje, achter de paal ligt nog wat." Met ondeugende ogen omklemt blond ventje de paal. 

"Wat doe je?" 

"Paal opjuimen!" 

Oke... ehm.... Ik besluit een gokje te nemen. Ik sla mijn armen op de paal en trek mee, kreunend onder de zware last. "Nee blond ventje, deze is echt te zwaar, die krijgen we er met zijn tweetjes niet eens uit, en ik denk dat hij ook niet in de bak past! Pak die stukjes maar even op." Lachend duikt hij op de grond om de stukjes achter de paal op te rapen. Even later zitten we samen met een meisje uit een andere klas een spelletje te doen aan tafel.

Deze slag heb ik gewonnen. En blond ventje ook.

maandag 17 augustus 2020

Voor 20 cent vertrouwen

Ze staan te smoezen aan de andere kant van het groenteschap. Drie van de vier jongens ken ik, zaten afgelopen jaar bij ons in groep 8. Over de broccoli heen zie ik ze overleggen en fluisterend naar het geld in hun handen kijken. Ineens staan twee van hen voor een mevrouw vlakbij me. De trouwste ogen en de vlotste babbel zijn afgevaardigd. "Mevrouw," beginnen ze onschuldig, "kunt u misschien 70 cent ruilen voor 90 cent? We hebben 20 cent te weinig." Tja, je kunt het altijd proberen natuurlijk. Ik geef ze weinig kans, en inderdaad. "Ik heb geen contant geld meer jongens." zegt ze "en ik denk ook niet dat jullie bij andere mensen veel succes hebben, want bijna niemand heeft nog contant geld in zijn portemonnee nu." Ze heeft een punt natuurlijk. Nog afgezien van de toch wel een beetje gekke vraag. De jongens druipen af. Ineens krijg ik een ingeving. Deze jongens, juist deze jongens, gun ik een gelukje. gun ik het vertrouwen van zomaar iemand .Voor ik het zelf goed en wel in de gaten heb, roep ik de jongens bij me. Ik zie het 'O, shit, betrapt.' in hun ogen. "Wat hadden jullie nodig?" vraag ik. De trouwste ogen leggen uit dat ze 20 cent nodig hebben, want ze hebben maar 70 cent en ze moesten 90 hebben. Ik zoek in mijn portemonnee en vind daar het geluk in de vorm van 20 cent en overhandig het. "Dank u wel!!!" Dit hadden ze niet aan zien komen. "Yes, nu kunnen we..." De rest hoor ik niet meer, ze lopen naar de andere kant van de winkel. Meteen slaat de twijfel toe. Was dit wijs? Kunnen ze voor 90 cent energiedrank kopen? Dat wil ik helemaal niet sponsoren! Wat gaan ze doen met het geld? Moet ik het vragen? Maar ik wil ze juist het vertrouwen gunnen en het niet vragen. Op hoop van zegen dan maar. 

Even later loop ik met mijn dochter en mijn boodschappen over het plein bij de supermarkt. Daar zitten ze op een bankje, met tussen zich in een doos met dubbellolly's. Niks geen energiedrank, ze zitten gelukkig te wezen met de goedkoopste ijsjes die er zijn ."Eet smakelijk mannen!" roep ik ze toe. Glunderend roepen ze "Ja, dank u wel!"

Terwijl ik wegloop vraag ik mezelf nog even af of ik nog iets moet zeggen over verpakkingen en prullenbakken. Neh.... vertrouwen.

woensdag 12 augustus 2020

Het is geen wedstrijdje

Onlangs stond in het AD een brief die viraal ging. Het was de prachtige brief van meneer Hoek, waarin hij  jongeren oproept om vol te houden in deze coronatijd. Zelf was hij jongere in de oorlog, en hij zag 10 jaar van zijn leven in rook opgaan. Een mooie, persoonlijke brief, die viraal gaat. Terecht, want hij brengt iets belangrijks onder woorden, op een prachtige, invoelende manier en heel helder verwoord. Natuurlijk komt die brief ook bij jongeren terecht. En ze worden geraakt, en reageren, onder andere op de site van de NOS. Ze vertellen dat ze het begrijpen. Dat ze echt wel zien dat de jeugd van meneer Hoek vele malen vreselijker was dan wat zij nu meemaken, maar dat zij echt ook veel missen. Vrienden, examengala's, feestjes. Ze zijn verdrietig en voelen zich eenzaam. En op hun reacties wordt ook weer gereageerd: Begrip, maar vooral onbegrip, woede, minachting, van alles komt voorbij. Hoe kun je je gebrek aan feestjes, een verpeste diploma-uitreiking en even niet kunnen chillen met je vrienden nou vergelijken met opgroeien in de oorlog, met alle verschrikkingen die de mensen van toen meemaakten. Schaam je!

Ik kwam de discussie tegen op de facebookpagina van The Best Social Media. Mijn reactie maakte veel los, en dat is de aanleiding voor deze blog.

Ik ben 47. Mijn moeder overleed toen ik 5 was. Vreselijk natuurlijk, je gunt het geen enkel kind. Ik werd opgevoed door een reeks van meer dan 10 gezinsverzorgsters van rond de 20, hoe het met menstruatie zat leerde ik uit een boekje dat mijn vader me toeschoof. Toen ik voor het eerst naar de lagere school ging, ging ik zonder moeder. Ook zonder vader, want die was al naar zijn werk als ik naar school ging. Vanaf mijn 15 kookte ik dagelijks thuis, want vanaf toen hadden we geen gezinsverzorging meer. Toen ik trouwde, stonden we op de foto met mijn schoonouders en mijn vader. Zonder mijn moeder. Ik werd zelf moeder, en kon niet even om advies vragen, kon niet tegen mijn moeder vertellen dat haar kleindochter naar haar genoemd was. Groot verdriet, groot gemis, dat onvermijdelijk mijn hele verdere leven heeft beïnvloed.

Dat betekent niet dat iemand anders niet intens verdrietig mag zijn als zijn hond doodgaat. Je maatje verliezen, waar je voor zorgt, die altijd blij is als je thuis komt, met wie je kilometers door het bos en langs het strand hebt gestruind. Niet te vergelijken met het verdriet om een overleden moeder. Minder levensbepalend, en misschien komt er na een paar maanden wel een nieuwe hond. Maar het is wel verdriet. Ander verdriet, dat er net zo goed mag zijn, met tranen, schokschouderend snikken, missen, rouwen, zo lang en zo veel als nodig is. Het heeft het niet nodig om afgezet te worden tegen mijn verdriet, het mag naast elkaar bestaan.

Mijn kinderen zijn 18, 16 en 13. Een jongvolwassene en twee pubers. Hun leven stond op de kop dit jaar, net als dat van iedereen. Een eerste studiejaar dat heel anders verliep dan verwacht, weer thuis komen wonen in plaats van op kamers, weer een kamer delen met je kleine zusje in plaats van een heel appartement met je beste vriendin, geen studentenleven, Geen gekkigheid met je vrienden, niet af en toe poolen, geen mountainbikeweekend, Een brugklasser die geen brugklas om zich heen had, online lessen volgen in je uppie op je kamer, motivatie behouden zonder contact met anderen,


orkesten die ineens werden stopgezet, een geweldige muziekreis die niet doorging, terwijl ze zich er enorm op hadden verheugd. Als ze later zelf misschien wel kinderen hebben, zullen ze over deze tijd vertellen.: "We konden toen maanden lang niet naar school. Je mocht elkaar niet omhelzen, niet eens een hand geven, want je moest 1,5 m afstand houden, feestjes mochten niet, en de orkesten gingen niet door. Maar gelukkig ging het na een poos wat beter, en toen mochten we weer iets meer, en uiteindelijk werd alles wel weer gewoon, maar dat was pas een jaar later."


Ze hebben nergens moeilijk over gedaan, mijn jongvolwassene en mijn pubers. Ze zien het als iets dat gewoon gebeurt, zonder schuld. Ze houden zich zoveel mogelijk aan de regels. Maar dat neemt niet weg dat het heel verdrietig is. Ze hadden zich verheugd op een mooi eerste studiejaar, op volop brugpieper zijn, op een orkestreis naar Bratislava. Op nog veel meer dat niet doorging of anders was dan anders. Soms waren ze lamlendig, ze misten hun vrienden, ze verveelden zich, konden niet even spontaan iets gaan doen, zoals dat hoort als je jong bent. Brugpieper had zo nu en dan een flinke huilbui, zonder woorden, zonder direct aanwijsbare reden, gewoon verdriet. Maar meestal gingen ze hun gang, deden ze wat moest, en hadden we het samen goed. Ze zijn flexibel genoeg en nemen het leven zoals het is.

Een meneer van 94 zag zijn jeugd in rook opgaan. Een vreselijke jeugd die geen jeugd genoemd kan worden. Mijn kinderen zijn dankbaar dat ze toen niet leefden. Niet te vergelijken met wat zij nu meemaken. Maar dat doet niets af aan wat zij nu meemaken. Aan het verlies van wat had kunnen zijn, had moeten zijn, aan hun verdriet. Het doet er niets aan af, juist omdat het niet te vergelijken is. 

Net als mijn moeder en die hond. Het is geen wedstrijdje.

 


woensdag 24 juni 2020

Bijna begrepen

Ach gossie, van wie is dit schrift?
Ik zit in mijn kamertje een stapel schriften van groep 4 na te kijken, spelling. De les ging over de dubbele medeklinker die je na een korte klank schrijft. bakker, mollen, dat soort woorden. Het is een van de regels die het belangrijkst en voor veel kinderen in groep 4 ook het moeilijkst is. 
In het schrift dat ik voor me heb, staan de woorden die konden worden overgeschreven keurig netjes en foutloos op de lijntjes, in tegenstelling tot wat ik in de meeste schriften aantref. Maar bij de oefening waarbij de kinderen zelf woorden moesten maken is er iets fout gegaan. Ik sla het schrift dicht en kijk naar de naam die voorop staat.

Ah, ik had het kunnen weten, Krullenmeisje. Krullenmeisje heeft ongeveer alles mee. Ze is mooi, met een lief wipneusje en een prachtige grote zwaaistaart met blonde krullen, ze is lief, altijd vrolijk, iedereen vindt haar aardig, haar werkhouding en werkverzorging zijn pico bello, ze kan goed samenwerken, helpt graag, en zelfs de meest ingewikkelde klasgenootjes zitten het allerliefst bij Krullenmeisje in de buurt.
Alleen gaat het leren zo lastig. Groep 4-teksten lijken wel ingewikkelde toverspreuken, en rekenen is soms net hogere wiskunde. Ze geeft de moed niet op, blijft hard werken, blijft haar best doen. Ze wordt niet boos, of gefrustreerd.
Krullenmeisje blijft haar rustige, vrolijke hardwerkende zelf. 
En nu heeft ze hardwerkend de spellingregel van de dubbele medeklinker BIJNA begrepen. 
In elk woord met een korte klank staat een dubbele medeklinker: kkaten, kkipen….
Keurig geschreven, alles af, bijna goed. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen er een streep door te zetten. Maar ja, een krul kan ook niet natuurlijk, goed is het immers net niet.
De volgende ochtend haal ik Krullenmeisje direct om half 9 uit de klas. Ik vertel dat ik vind dat ze zo ontzettend netjes heeft gewerkt, en dat het zo fijn is dat ze dat overschrijven zo precies heeft gedaan zonder fouten. Supergoed gekeken!
Bij de oefening op de volgende bladzijde, zeg ik, is er een dingetje dat ze nog niet helemaal begrepen heeft. Dat ga ik haar nog even uitleggen. Dat dit ene dingetje nou juist de essentie van de hele les was, vind ik overbodige informatie. 
Samen bekijken we de woorden, herhalen we wat nou ook alweer de korte klanken zijn, en hoe dat nou ook alweer zit, met die dubbele medeklinker. Ik laat het zien, schrijf het voor: katten, kippen. De dubbele medeklinkers schrijf ik met mijn mooie kleurenpotlood. O ja, nu ziet ze het. Dit kan ze.
Op een kopietje schrijft Krullenmeisje de woorden nog een keer. Glunderend, want de dubbele medeklinker mag met het mooie potlood van de juf. De nieuwe oefening plakken we over de oude heen. Bij gebrek aan plakband en als beloning voor het geleverde werk doen we dat met plaatjes.
Plaatjes van katten en kippen.

maandag 8 juni 2020

DIe zag meneer Buijs niet aankomen

Een kasteel. Of een burcht. Of een paleis. Met daarvoor, daarin of daarop een prinses, eventueel een koning, maar het liefst een prinses. Met een kroon op het hoofd. Trouwens, de meisjes bij de huizen hadden vaak ook een kroontje op, of een feestmuts. En enorme handen, dat ook. 



Op de lagere school, en daarna, blonk ik uit in van alles, maar niet in tekenen. Zesjes, hooguit zevens voor de moeite kreeg ik als er een beoordeling aan gekoppeld moest worden.. Ik herinner me uit de brugklas een heidens karwei van een jungle in Oost-Indische inkt. Elk blaadje had een andere textuur en alles moest ingevuld worden met cirkeltjes, kriebeltjes, streepjes, stipjes, en dan moest je ook nog ergens de suggestie van een zonnestraal in verwerken.
De eindopdracht: juffertjes-in-het-groen

Man, wat deed ik mijn best, en eigenlijk was ik heus een beetje tevreden, tot ik de resultaten van anderen zag. Mijn werk zag er ineens knoeierig en lomp uit. Dat vond meneer Buijs, de excentrieke tekenleraar ook, al heeft hij het vast niet in die bewoordingen gezegd. Wel dat het nogal slordig was. Wist hij veel hoe ik gezwoegd had...





Hoewel ik tekenen als kind leuk vond, werd ik volwassen met het idee het niet te kunnen. En toch, toen we de afgelopen tijd veel thuis waren, iedereen hard aan het werk, en ik daar tussendoor scharrelend mezelf in de weg zat en ook iets "rustigs aan tafel" wilde doen, viel mijn keuze op een tekencursus. Het moest iets korts zijn, want de periode van thuisquarantaine zou immers niet superlang duren en iets dat ik echt wilde leren. Een cursus botanisch tekenen werd het, via de NTI. 

Eerst materiaal verkennen, grafietpotloden, kleurpotloden, aquarelverf. Meten hoe groot de bloem is, dat op papier zetten, precies werken.  Kleuren mengen, waar zit nou eigenlijk echt de schaduw, waar valt licht op? Blaadjes tekenen, bloemen tekenen, uitstapjes naar een ui, een appel, een mango. Het ging niet vanzelf, want een natuurtalent, dat ben ik niet. Maar er lukte steeds meer wel dan niet. Oefenen, oefenen, oefenen. En ik kreeg er steeds meer lol in.

Ik had al vlot door dat verf het niet was voor mij. Hartstikke leuk, maar wat een gedoe. Veel wachten, veel vlekken maken, knoeiboel. Geen progressie ook. Jammer van de gekochte verf, maar die doneer ik dan maar met liefde aan mijn creatieve dochter. 
Maar de kleurpotloden, die liggen me wel. Ik kan het gewoon. Vanochtend, op de dag dat we als school weer helemaal open mochten, kreeg ik de beoordeling van mijn eindopdracht, juffertjes-in-het-groen uit de tuin. Een 8,5! Met mooi commentaar. Goed gekeken, mooie details. Let nog even hier op, en daar op. Maar vooral: geweldig gedaan, en blijf tekenen! En stiekem denk ik: Ha meneer Buijs, die zag je niet aankomen!









woensdag 15 april 2020

Ach, Coba.....

Ik ben begonnen met een nieuwe schrijfcursus, onder leiding van Jolien Wilmar, over het schrijven van je levensverhaal. Een bijzondere ervaring in deze coronatijd, met een klein groepje mensen die ik niet ken online dicht bij elkaar komen. Het is een cadeautje om op een andere manier te schrijven dan ik gewend ben, en af en toe zal ik iets met jullie delen. Vandaag ging het over onze naam. Maat ik kwam uit bij een herinnering aan een andere naam.

Ze was oud, mijn oma. Ouder dan wie dan ook die ik kende. Of misschien was ze minder oud dan in mijn hoofd, maar ik was jong. Net volwassen, of misschien nog net niet.
Ze zat in de grote stoel met de hoge rugleuning, in de kamer die niet van haarzelf was. Een kale, onpersoonlijke kamer met niets erin dat herinnerde aan thuis. Geen hoogpolig wit tapijt, geen foto's in de boekenkast, geen kalendertje dat je om en om en om kon draaien, geen snuiter op de tafel, zelfs geen lange vingers omdat ik geen taart lustte. Alleen oma, en ik, en Binie, mijn tante. Misschien mijn vader, misschien iemand anders, maar in mijn herinnering oma, Binie en ik.

Tijdelijk was het, deze kamer, maar naar huis kon ze niet meer. Te oud, te dement, niet meer in staat voor zichzelf te zorgen.
Hoe goed kende ik haar? Zij mij? Niet zo heel goed eigenlijk.
Bij opa en oma Bos waren we thuis, bij opa en oma van der Laan kwamen we op visite. Zo was het gegroeid, door hoe het was.

Ze keek naar me, alsof ik net binnenliep en zei: "Ach, Cóba.... "
Coba.... ze noemde mij mijn moeder. In die kale kamer ontstond een band die persoonlijker was dan ooit eerder, dwars door generaties heen. Samen met oma, Binie en mij, was ineens mijn moeder erbij.

Ach, Coba....

donderdag 28 november 2019

Een hardloopbloes.... -jasje...of zo

De stof die ik besteld had voor mijn nieuwe broek bleek niet zoveel stretch te hebben als ik had gehoopt. Dat is het risico als je stof bestelt via internet, daarom doe ik het ook liever niet. Maar ja, ik had het nu toch, en weggooien was geen optie. Ik vond dat het wel een bloes kon worden. (blouse doet me altijd zo denken aan wasmiddelreclame van lang geleden... "wat een schitterende blouououse!")

En zo gebeurde. Het werd een bloes, een hardloopbloes. Je vraagt je misschien af of ik ze wel allemaal op een rijtje heb, hardlopen in een bloes van ribcord? Ik kan je geruststellen. Mijn knieën en ik hebben in goed onderling overleg besloten dat we dat niet meer doen, hardlopen. Mijn knieën vinden het niet leuk, en de rest van mij vindt er eigenlijk ook geen klap an. Mijn hardloopschoenen hangen al een poosje aan de wilgen en daar hangen ze goed.

Toch is het een hardloopbloes, of eigenlijk bij nader inzien meer een hardloopjasje. Wie het wil komen bezichtigen wordt verzocht dat langsrennend te doen, met een behoorlijk tempo graag. Dan is het namelijk best een aardig ding.
Van dichterbij, en als je stilstaat, dan zie je van alles dat niet de bedoeling is. Het was ook een nogal onzalig project. Veel uithalen en overdoen, soms wel 3 keer. Scheve randjes, een gebroken en een gebogen naald, randjes die scheef zitten, een uitgescheurd en weer gerepareerd knoopsgat... En ik had van twee soorten knopen net niet genoeg, dus heb ik ze maar door elkaar gebruikt. Dat vind ik zelf dan wel weer heel leuk opgelost. Hij kan dicht, net, maar open is mooier. Comfortabeler ook.


Een hardloopjasje dus. En ik draag hem lekker terwijl ik met mijn pootjes op tafel op de bank hang.

zondag 22 september 2019

Iemand een leuk jurkje?

"Doe het NIET, mam!"
Mijn oudste dochter heeft een mening als het gaat over kleren en stof. Ze is nogal... open over die mening. Loop ik naar een rek toe met jurkjes waarvan ik denk "misschien zit er iets leuks tussen, even snuffelen..." dan hoor ik naast me: "Nee, doe het niet..."  Of heel soms: "Mag wel, maar dan ga ik aan de andere kant van de straat lopen." De boodschap is duidelijk.
Je zou zeggen dat het de leeftijd is.  Maar al toen ze twee was en ik nietsvermoedend een paar schoenen paste, keek ze zuinig van de schoenen naar mij en sprak misprijzend: "Doe maar niet..." Die schoenen heb ik maar laten staan...
Ik luister heus niet altijd. Soms koop ik een kledingstuk of lap stof die zij heeft afgekeurd. Dat heeft gevolgen. Gevolgen in de vorm van "Ha mam, heb je je schimmelshirt maar weer eens aangetrokken?" Zo'n kledingstuk eindigt dan vanzelf ergens in een kledingcontainer. Misschien dat een moeder zonder dochter er nog iets mee kan...
En soms went ze er aan. Ze is ook niet te beroerd om het toe te geven als het achteraf toch leuker was dan zij dacht.

Of ik de stof die ik al een paar jaar had liggen om een jurk van te maken in het bijzijn van mijn geliefde criticus heb gekocht weet ik niet, maar het was zeker een "doe-het-niet-mam-lapje". En dan blijft zo'n lap dus jaren liggen. Stel je voor dat ze gelijk heeft, dan is het zo zonde van het werk....

Gisteren trok ik toch dat lapje tevoorschijn. Ik vond een leuk patroon en de lap werd jurk. D'r is niet eens zo heel veel mis mee. Hij is iets te wijd, maar daar is wat aan te doen. De stof is superzacht, en hi
j zit heerlijk, echt. De halslijn vind ik mooi, en met een warme panty is het een heerlijk winterjurkje. Maar toch... Als ik mezelf in de spiegel bekijk, denk ik "Doe maar niet..."

Het tot jurk verworden lapje ligt weer in een doos. Van de lappendoos verschoven naar de verkoopdoos. Iemand nog een leuk jurkje? Maar 44, spiksplinternieuw en heeeerlijk zacht...

zaterdag 8 september 2018

Een nieuwe weg op een oude plek

Op het aanwezigheidsbord in de hal van de pabo in Utrecht, de lerarenopleiding voor het basisonderwijs waar ik ruim 20 jaar geleden mijn diploma in ontvangst nam, staan nog maar een paar namen die ik herken. Wat Oooh-ja-vaag-bekend-namen, een paar Goh,-nog-steeds,-of-zou-het-familie-zijn-namen, en een enkele naam die dierbare herinneringen oproept aan een verwarrende tijd waarin ik op een heel andere volgorde en manier dan mijn leeftijdgenoten volwassen werd en aan de grotemensenwereld wende.
De meeste namen zeggen me niets, zijn van  'na mijn tijd'.
Lopend door het gebouw, zoekend naar het lokaal dat aangegeven staat op het plasmabord, herken ik ook weinig van de gangen van vroeger. Het gebouw heeft een aantal jaren geleden een metamorfose ondergaan, en ik moet mijn best doen om me te herinneren hoe het ook alweer was. Recht tegenover de ingang was de zaal waar hoorcolleges werden gegeven, aan de rechterkant zat handvaardigheid, op de derde verdieping Nederlands, en links onderin het muzieklokaal waar ik met speels gemak een 10 haalde voor blokfluiten, want ja, dat deed ik al jaren.
Het lokaal waar ik moet zijn, zit op een plek die er vast toen ook al was, maar ik weet niet wat er toen zat. Zo te zien wordt er geschiedenis gegeven, er hangt een tijdlijn met plaatjes erop (Tijdens ELKE geschiedenisles MOET je een tijdlijn gebruiken, hoor ik mijn geschiedenisdocent zeggen) en een poster van de Canon van de Nederlandse Geschiedenis.

Vandaag zit het lokaal vol met zo'n 25 mensen die net als ik hun pabo-diploma al lang hebben. Met zijn allen beginnen we een nieuw avontuur, het avontuur van een opleiding tot intern begeleider. Een groep van mensen die elkaar niet kennen, en die dit jaar samen gaan optrekken om nieuwe dingen te leren. Deze eerste dag wennen we aan elkaar, en aan wat we allemaal gaan doen. Onzeker voelt het nog een beetje, voor mij in ieder geval, maar ook leuk, spannend, onzeker, en enigszins overweldigend. Ik weet dat ik mij dit jaar ver, heel ver, buiten mijn comfortzone ga begeven. Ik weet dat er momenten komen dat ik denk dat dit me niet gaat lukken, dat ik niet durf, In dit gebouw waar ik de weg niet meer weet, waar mensen rondlopen die ik niet meer ken, sla ik een nieuwe weg in, teken ik nieuwe paadjes bij op mijn kaart. Het is een stuk op mijn kaart dat nu nog leeg is, waar ik de weg nog niet weet, waar ik nog niemand ken, en waar ik mijzelf nog niet ken.
Volgend jaar is mijn kaart weer een stukje groter, en mooier, en interessanter.

zaterdag 25 november 2017

Gelukkig hagelt het.... wel

Het was druk in de stad. Geen wonder: Sinterklaas was vanochtend met zijn gevolg aangekomenen enthousiast begroet door ongeveer alle kleine gelovige kinderen, hun ouders en mijn 16-jarige dochter met haar vriendinnen. Zoiets gaat in fases.
Eerst geloof je in de goedgeefse heilige, zonder twijels, omdat je niet beter weet, bekijk je hem met diep ontzag en wil je liefst elke avond je schoen zetten in de hoop dat daar iets in komt. Dan komt er een periode van twijfel, gevoed door vroegwijze klasgenoten en eigen conclusies. Een pareltje uit deze periode: "Zijn die pieten nou eigenlijk echt zwart, of zijn ze geschminkt?" "Wat denk je zelf?" "Ik denk geschminkt" "Hmhm, klopt." "O... Dan kan Sinterklaas wel goed schminken zeg!"
Deze periode eindigt in het spannende kennen van "Het grote geheim", een zekerheid die wonderlijk snel even kan verdwijnen als die Sint-Nicolaas zich op aanraakafstand bevindt, en vol bravoure terugkomt als hij uit het zicht verdwenen is.
Er volgt een tijd van mooiweerspelen voor broertjes en zusjes en ander klein grut. Natúúrlijk verraad je niet hoe het zit, bedenk je allerlei manieren om het feest nog mooier en spannender te maken, opzichtig knipogend naar de volwassenen in de buurt, want o, ze mochten eens denken dat jij een van de kleintjes was, een van de beminde gelovigen die nog niet wisten van de mijter en de rand...
Na deze periode, die afhankelijk van het aantal en de leeftijd van broertjes en zusjes best een heel aantal jaren kan duren, ben je vrij om te doen wat je wil. Het hele feest links laten liggen, de gezelligheid met cadeautjes uitstellen tot Kerst, of met vrienden of familie een vrolijke invulling geven aan dit buitenkansje van cadeautjes en lekkers. Niet meer gehinderd door gedwongen voorzichtigheid en verplicht meespelen kun je los.

En dus toog dochter van 16 met haar vriendinnen naar de intocht, net als vorig jaar. Ze zette voor de gelegenheid haar wekker op deze zaterdag, dan is het menens.
Toen ik haar later in de stad tegenkwam, waar ik namens voornoemde heiligman inkopen deed voor een niet nader te noemen persoon uit de familie, bood ze me glunderend een kruidnootje aan. Nee, een hand van Sinterklaas had ze niet gehad, wel van een Piet, en kruidnootjes, en er was een trompetpiet die verdacht veel op haar voormalige scheikundeleraar leek.

We vervolgden onze weg samen, nog even overleggend over wat aanvullende kleine pakjes, schuifelend door overvolle winkels en de bijna net zo volle straten. Ook voor mij is een nieuwe periode aangebroken. Tussen alle geheimzinnigheid door hebben we lol om kleinigheidjes die ik eerder alleen regelde, of met mijn man.

Als we moe door de drukte en de zware tassen besluiten op huis aan te gaan, begint het te betrekken, en nog voor we op de fiets stappen vallen de eerste druppels. Zingend over Pino met zijn paraplu gaan we op weg. We denken allebei aan hetzelfde, en zij zegt het: "Gelukkig hagelt het niet hè mama?"
We schieten in de lach, want juist op dat moment vallen de eerste hagelstenen op onze jassen. We schakelen tegelijk om naar de volgende relativerende modus. Zij zegt: "Het is wél lekker koud.. " En ik:"Gelukkig komt het van achter, we krijgen het niet in ons gezicht"

Dit kind, deze jonge vrouw, wat is ze mooi, wat hou ik van haar...