vrijdag 17 april 2026

Ben je belangrijk?

We zitten in de kring. 

Er was even wat gemor geweest, want deze keer had ik gezegd dat iedereen in de buurt van zijn of haar normale plekje moest gaan zitten. Geen vriendjes en vriendinnetjes die elkaar opzoeken, ik wil rust in de kring. Het gemor was al snel over, chagrijn blijft vandaag niet plakken, de hele dag al niet. 

We duiken in het verhaal over de zwerver Peanut, die we het hele jaar al volgen. In het begin snapte hij niets van  normale omgangsregels, maar in de loop van het jaar heeft hij geleerd zich voor te stellen, beleefd te zijn, complimenten te geven en te krijgen. Ook weet Peanut inmiddels dat hij niet zomaar met iedereen mee moet gaan, dat niet iedereen goede intenties heeft en dat het soms verstandig is te zeggen wat je denkt, maar dat je je soms ook in moet houden. We leren samen met Peanut en vandaag gaat het over belangrijk zijn. 

Ben je belangrijk? En voor wie dan wel?  Word je gemist als je er niet bent? Zomaar zeggen dat je belangrijk bent, dat is nogal wat. Voor mama en papa wel, dat weten ze allemaal wel zeker. 

Ik vraag aan Zachte Kijker hoe hij dat ziet. Is hij belangrijk? Vaak zit er een slotje op zijn woorden, en het duurt even voor hij het sleuteltje gevonden heeft. "Voor papa en mama wel...." "En voor je zus?" Met een grijns knikt hij. "Ja, dat ook" Verder weet hij het niet zo goed. Maar ineens klinkt er vanaf de andere kant van de klas: "En voor je neef!" Ik kijk van Vrolijke Flapuit naar Zachte Kijker. De ontroering komt er bijna bij zijn zachte kijkers uit. Tegenpolen zijn ze, deze neven, en dikke vrienden. Vandaag zitten ze niet naast elkaar in de kring, maar toch voelen ze dichtbij.

Denkende Dame weet het niet zeker. Met haar schouders opgetrokken en tranen in haar ogen zegt ze: "Ik weet niet of ik belangrijk ben. Ik denk het niet. Ik denk niet dat iemand mij mist als ik ziek ben." 

Heel even is het stil. Dan buitelen de tegenwerpingen over elkaar heen. Ik haal ze uit elkaar en geef Hart op de Tong het woord. "Ik vind dat Denkende Dame wel heel belangrijk is. Ze is altijd heel lief voor iedereen en ze denkt heel erg na over wat goed is voor anderen." "Ja, en ze is altijd heel behulpzaam." "En ik kan altijd heel leuk met haar spelen!" Ik laat het weer even buitelen en zie de houding van Denkende Dame veranderen. Even later zegt ze: "Toen iedereen dat zei, toen voelde ik mijn schouders helemaal naar beneden zakken." 

Het gesprek gaat prachtig verder. Er wordt veel gedeeld, in een innig vertrouwen. We hebben het over verdriet, over vriendschap en liefde en het is goed in onze kring. Een ding weten we zeker: We zijn belangrijk voor elkaar.


Een dag later zit ik met mijn jongste dochter op een terras. Ze geniet nog na van de week, waarin ze straalde op haar eindexamengala, in haar zelfgenaaide jurk, helemaal zichzelf. Ze vertelt hoe leuk het was, hoeveel plezier ze hadden en hoe ze met haar vrienden en docenten had gedanst op de discoboot. Hoe leuk ze het vond dat er ook docenten langs de kant stonden te zwaaien toen de boot van wal ging. 

Er was in de aanloop wat gemor geweest. Een stunt was verboden, want dat was in eerdere jaren uit de hand gelopen. Niet iedereen was het daarmee eens, en enkele leerlingen hadden toch iets bedacht. Dochter had er geen goed woord voor over. Stom, je kon worden uitgesloten van het gala, en in het ergste geval van het examen. De wiskundeleraar had haar klas bezorgd gevraagd of ze toch alsjeblieft niets stuntigs gingen doen. Ze zouden er verre van blijven, beloofden ze.

De kunstdocent had een examentraining geregeld voor haar klas. Ze waren er speciaal voor gebleven, twee tussenuren lang hadden ze gewacht, en toen mochten ze de school niet meer in, want er was toch wat voorgevallen. Maar andere docenten zagen ze en vroegen: "Willen jullie toch naar die les?" Met een omweg waren ze naar het goede lokaal geleid, tot grote vreugde van de kunstdocent. 

En mijn dochter ziet het. Ze ziet dat ze ertoe doet. Als ze er niet is, wordt ze gemist, en als ze er wel is, voelt ze zich welkom. Ze is belangrijk. En ik hoop dat ze het weten, de docenten. Ik hoop dat ze weten hoe belangrijk zij zijn.

dinsdag 31 maart 2026

Nagels

"Wow, ze zijn prachtig, je lijkt wel een echte dame!"

Blond Miepje staat stralend voor me, met gespreide handen met daaraan nagels die een zestienjarige niet zouden misstaan, De verhoudingen zijn een beetje zoek mollige kleuterhandjes met pubernagels. 

Van verhoudingen heeft ze zelf geen last. Ze is trots en kan alles gewoon, verzekert ze me. 

Ik was voorbereid. Het mailtje van haar moeder was het eerste dat ik vanochtend las. Excuses voor het uiterlijk van haar jongste dochter, en een verklaring voor hoe het zo heeft kunnen komen. Een groter buurmeisje wilde best haar nepnagels delen met haar kleine buurgrietjes. Lief natuurlijk, maar moeders zat er maar mooi mee, want wat  ze ook probeerde, de nagels bleven hardnekkig zitten waar ze door het buurmeisje vakkundig waren geplaatst, en iets minder vakkundig waren beschilderd.

Nogmaals excuses, het advies om haar maar vooral alles zelf te laten doen vandaag en de stiekeme hoop dat de boel vandaag in de loop van de dag uiteen zou vallen.

Met een grijns ging ik de dag tegemoet. En nu loopt Blond Miepje trots en in volle glorie door de kring om iedereen haar prachtige nagels te showen. 

Het moet gezegd: ze kan er eigenlijk alles mee. Haar eten brengt ze moeiteloos naar haar mond, kleien, met de kralenplank spelen, geen enkel probleem. Misschien is ze een nagelnatuurtalent. 

Veel tijd om erbij stil te staan hebben we niet. de aandacht wordt vandaag een beetje opgeëist door twee andere jonge wezentjes in onze kleuterklas: de kuikens die in een hoekje van de klas staan. Twee pas uit het ei gekropen krielkippies waarvan de naam nog door middel van stemming moet worden bepaald. Iedereen is dol op ze, en ik niet het minst. Herrie maken ze wel, zeker als er niemand met zijn hoofd boven de bak hangt. Luidkeels laten ze weten dat ze er zijn: "Joehoe! Hier zitten wij! Kom kijken dan!" En dus zitten er de hele dag door telkens wel een paar kinderen vertederde aandacht te schenken aan onze jongste kleuters. Aankomen mag nog niet, behalve heel voorzichtig samen met de juf even aaien. Vandaag gebeuren er geen gekke dingen. Geen kralenplankkralen tussen het voer, geen handenvol zaagsel om de boel lekker op te fluffen. Iedereen houdt zich aan de regels. 

Tijdens het spelen hoor ik ineens een sirene afgaan. De kuikens kunnen behoorlijk wat lawaai voortbrengen, maar dit lijkt urgenter. 

Op de gang vind ik Blond Miepje. Ze heeft haar tas in haar handen en haar verdriet schalt door het gebouw. "Wat is er Blond Miepje?" 

"IMIJNAAFMAAINMETASDAAAAN!" 
"Wacht even hoor, ik kan je niet zo goed verstaan. Word even rustig en vertel het me nog een keer."
"Ik heb mijn nagel eraf, maar ik heb hem wel in mijn tas gedaan!"

Snikkend laat ze de zielige resten nagellak zien op de vinger waar de nepnagel van is afgebroken. Een beetje begrip is genoeg: "Ik snap dat je daar een beetje verdrietig over bent." 

Huppelend gaat ze weer terug naar het plekje en verder met waar ze mee bezig was. Zo belangrijk is een nagel nou ook weer niet in een kleuterleven.


dinsdag 24 februari 2026

Een vijver op het plein

 "Ik blijf hier staan. De hele tijd dat we buitenspelen."

Hij wilde meespelen, maar dat mocht niet. Nou ja... dat mocht wel, maar hij wilde Paw Patrol spelen, en dat wilden de anderen niet. En als je bij een groepje aansluit, dan kun je niet zomaar bepalen wat je gaat doen, dan speel je mee met wat de rest doet. Er was wat geduwd en misschien zelfs wel geschopt. 

Boze Jongen haalde bakzeil. Dat gebeurt niet zo vaak, meestal kan hij Zachte Goeierik en de anderen wel overtuigen van zijn gelijk.. Maar vandaag hield Zachte Goeierik voet bij stuk. Hij wilde geen Paw Patrol doen, en stiekem ben ik trots op hem. 

En nu staat Boze Jongen naast me. Hij straalt zijn boosheid de wereld in, zonder te schreeuwen, zonder te schoppen of te slaan, maar met zijn armen over elkaar en zijn hoofd op onweer. Niet van plan te gaan spelen. Een dappere keuze, want het plein is bijzonder aantrekkelijk vandaag. Het heeft geregend, maar nu is het droog en niet koud. Maar er ligt nog wel een enorme plas, vijverformaat. Kinderen met of zonder laarzen sjouwen er om- en doorheen, er wordt geschept, geroerd, gegolfd. 

Kleine Vrolijkerd heeft een krat gevonden, de inhoud eruit gemikt en duwt hem door de plas. Heen en weer, heen en weer. Dan pakt hij een schepje en een schaal en vult met engelengeduld het krat met
water, wat er met dezelfde vaart weer uitstroomt, want aan alle kanten is het krat open. Het lijkt wel een zwemles met kleren aan, doorweekt is hij. Doorweekt en blij.

Maar Boze Jongen staat naast mij. Zijn besluit om boos te zijn heeft hij genomen en daar wijkt hij niet van af. Standvastigheid is ook een kwaliteit. Hij is niet boos op mij, en wil ook best even kletsen. In de vakantie had hij nieuwe schoenen gekregen. Oranje. Maar vandaag heeft hij ze niet aan. En zijn oranje schoenen waren eigenlijk ook alweer vies. Hij zegt het met een lachje. Per ongeluk, want eigenlijk is hij nog boos.


Ik moet even naar binnen, naar de wc. En als ik weer buiten kom, is Boze Jongen verdwenen. De juf van de andere klas heeft gezegd dat hij weer moet gaan spelen. Maar hij was nog niet klaar met boos zijn. 

Als we even later naar binnen gaan, vind ik hem in de huishoek, met zijn jas aan. 
"Kom, we gaan in de kring, ik ga een boek voorlezen." 
"Nee, wil ik niet."
"Maar je was niet boos op mij, weet je nog? En ik wil graag dat je in de kring komt."

Niet lang daarna zit hij in de kring. Nog steeds boos, met zijn handen in zijn zakken en zijn ogen demonstratief dicht, maar eigenlijk stiekem op een kiertje, want de Gruffalo is toch wel spannend en leuk. 

En als we gaan eten ("Ik wil niet eten, ik wil thuis eten") gaat hij toch aan tafel zitten, eet hij zijn boterham, en leest hij daarna met een nog steeds boos gezicht een dinoboek. Maar zijn boosheid wordt zachter. 

Ik loop naar hem toe: "Boze Jongen, ik zie dat je nog boos bent. Maar we gaan zo weer naar buiten toe, en ik zou het wel heel jammer vinden als je nu weer niet kunt spelen omdat je boos bent. Het is veel fijner als je wel kunt spelen."

Overtuigd is hij nog niet, maar hij denkt erover na. En niet veel later raust er, met zijn laarzen aan en
zijn benen omhoog, op een fietsje door de plas, een Blije Jongen.