dinsdag 31 maart 2026

Nagels

"Wow, ze zijn prachtig, je lijkt wel een echte dame!"

Blond Miepje staat stralend voor me, met gespreide handen met daaraan nagels die een zestienjarige niet zouden misstaan, De verhoudingen zijn een beetje zoek mollige kleuterhandjes met pubernagels. 

Van verhoudingen heeft ze zelf geen last. Ze is trots en kan alles gewoon, verzekert ze me. 

Ik was voorbereid. Het mailtje van haar moeder was het eerste dat ik vanochtend las. Excuses voor het uiterlijk van haar jongste dochter, en een verklaring voor hoe het zo heeft kunnen komen. Een groter buurmeisje wilde best haar nepnagels delen met haar kleine buurgrietjes. Lief natuurlijk, maar moeders zat er maar mooi mee, want wat  ze ook probeerde, de nagels bleven hardnekkig zitten waar ze door het buurmeisje vakkundig waren geplaatst, en iets minder vakkundig waren beschilderd.

Nogmaals excuses, het advies om haar maar vooral alles zelf te laten doen vandaag en de stiekeme hoop dat de boel vandaag in de loop van de dag uiteen zou vallen.

Met een grijns ging ik de dag tegemoet. En nu loopt Blond Miepje trots en in volle glorie door de kring om iedereen haar prachtige nagels te showen. 

Het moet gezegd: ze kan er eigenlijk alles mee. Haar eten brengt ze moeiteloos naar haar mond, kleien, met de kralenplank spelen, geen enkel probleem. Misschien is ze een nagelnatuurtalent. 

Veel tijd om erbij stil te staan hebben we niet. de aandacht wordt vandaag een beetje opgeëist door twee andere jonge wezentjes in onze kleuterklas: de kuikens die in een hoekje van de klas staan. Twee pas uit het ei gekropen krielkippies waarvan de naam nog door middel van stemming moet worden bepaald. Iedereen is dol op ze, en ik niet het minst. Herrie maken ze wel, zeker als er niemand met zijn hoofd boven de bak hangt. Luidkeels laten ze weten dat ze er zijn: "Joehoe! Hier zitten wij! Kom kijken dan!" En dus zitten er de hele dag door telkens wel een paar kinderen vertederde aandacht te schenken aan onze jongste kleuters. Aankomen mag nog niet, behalve heel voorzichtig samen met de juf even aaien. Vandaag gebeuren er geen gekke dingen. Geen kralenplankkralen tussen het voer, geen handenvol zaagsel om de boel lekker op te fluffen. Iedereen houdt zich aan de regels. 

Tijdens het spelen hoor ik ineens een sirene afgaan. De kuikens kunnen behoorlijk wat lawaai voortbrengen, maar dit lijkt urgenter. 

Op de gang vind ik Blond Miepje. Ze heeft haar tas in haar handen en haar verdriet schalt door het gebouw. "Wat is er Blond Miepje?" 

"IMIJNAAFMAAINMETASDAAAAN!" 
"Wacht even hoor, ik kan je niet zo goed verstaan. Word even rustig en vertel het me nog een keer."
"Ik heb mijn nagel eraf, maar ik heb hem wel in mijn tas gedaan!"

Snikkend laat ze de zielige resten nagellak zien op de vinger waar de nepnagel van is afgebroken. Een beetje begrip is genoeg: "Ik snap dat je daar een beetje verdrietig over bent." 

Huppelend gaat ze weer terug naar het plekje en verder met waar ze mee bezig was. Zo belangrijk is een nagel nou ook weer niet in een kleuterleven.


dinsdag 24 februari 2026

Een vijver op het plein

 "Ik blijf hier staan. De hele tijd dat we buitenspelen."

Hij wilde meespelen, maar dat mocht niet. Nou ja... dat mocht wel, maar hij wilde Paw Patrol spelen, en dat wilden de anderen niet. En als je bij een groepje aansluit, dan kun je niet zomaar bepalen wat je gaat doen, dan speel je mee met wat de rest doet. Er was wat geduwd en misschien zelfs wel geschopt. 

Boze Jongen haalde bakzeil. Dat gebeurt niet zo vaak, meestal kan hij Zachte Goeierik en de anderen wel overtuigen van zijn gelijk.. Maar vandaag hield Zachte Goeierik voet bij stuk. Hij wilde geen Paw Patrol doen, en stiekem ben ik trots op hem. 

En nu staat Boze Jongen naast me. Hij straalt zijn boosheid de wereld in, zonder te schreeuwen, zonder te schoppen of te slaan, maar met zijn armen over elkaar en zijn hoofd op onweer. Niet van plan te gaan spelen. Een dappere keuze, want het plein is bijzonder aantrekkelijk vandaag. Het heeft geregend, maar nu is het droog en niet koud. Maar er ligt nog wel een enorme plas, vijverformaat. Kinderen met of zonder laarzen sjouwen er om- en doorheen, er wordt geschept, geroerd, gegolfd. 

Kleine Vrolijkerd heeft een krat gevonden, de inhoud eruit gemikt en duwt hem door de plas. Heen en weer, heen en weer. Dan pakt hij een schepje en een schaal en vult met engelengeduld het krat met
water, wat er met dezelfde vaart weer uitstroomt, want aan alle kanten is het krat open. Het lijkt wel een zwemles met kleren aan, doorweekt is hij. Doorweekt en blij.

Maar Boze Jongen staat naast mij. Zijn besluit om boos te zijn heeft hij genomen en daar wijkt hij niet van af. Standvastigheid is ook een kwaliteit. Hij is niet boos op mij, en wil ook best even kletsen. In de vakantie had hij nieuwe schoenen gekregen. Oranje. Maar vandaag heeft hij ze niet aan. En zijn oranje schoenen waren eigenlijk ook alweer vies. Hij zegt het met een lachje. Per ongeluk, want eigenlijk is hij nog boos.


Ik moet even naar binnen, naar de wc. En als ik weer buiten kom, is Boze Jongen verdwenen. De juf van de andere klas heeft gezegd dat hij weer moet gaan spelen. Maar hij was nog niet klaar met boos zijn. 

Als we even later naar binnen gaan, vind ik hem in de huishoek, met zijn jas aan. 
"Kom, we gaan in de kring, ik ga een boek voorlezen." 
"Nee, wil ik niet."
"Maar je was niet boos op mij, weet je nog? En ik wil graag dat je in de kring komt."

Niet lang daarna zit hij in de kring. Nog steeds boos, met zijn handen in zijn zakken en zijn ogen demonstratief dicht, maar eigenlijk stiekem op een kiertje, want de Gruffalo is toch wel spannend en leuk. 

En als we gaan eten ("Ik wil niet eten, ik wil thuis eten") gaat hij toch aan tafel zitten, eet hij zijn boterham, en leest hij daarna met een nog steeds boos gezicht een dinoboek. Maar zijn boosheid wordt zachter. 

Ik loop naar hem toe: "Boze Jongen, ik zie dat je nog boos bent. Maar we gaan zo weer naar buiten toe, en ik zou het wel heel jammer vinden als je nu weer niet kunt spelen omdat je boos bent. Het is veel fijner als je wel kunt spelen."

Overtuigd is hij nog niet, maar hij denkt erover na. En niet veel later raust er, met zijn laarzen aan en
zijn benen omhoog, op een fietsje door de plas, een Blije Jongen.


vrijdag 13 februari 2026

Kan ik je vertrouwen?

 "Oke jongens en meiden, jullie weten het nog van vorige week. Maak een kring, je hebt 2 minuten."

Onmiddellijk staat iedereen op en worden de tafels aan de kant geschoven. Die twee minuten hebben ze lang niet helemaal nodig. Tafels tegen de muren, instructietafel onder het bord en iedereen in de kring. 

In een kring zie je elkaar. Kijkt niemand tegen achterhoofden aan en hoeft niemand zich om te draaien. Dat is fijn, maar ook spannend. In de kring doe je ertoe en kun je niet wegkruipen. 

We praten over vertrouwen. Wanneer ben je te vertrouwen? Eerlijk en aardig zijn, dat helpt. Je aan afspraken houden, dat ook. 

 Wil je dat anderen jou zien als iemand die ze kunnen vertrouwen? Dat willen ze bijna allemaal wel. Of in ieder geval meestal. Lukt het ook altijd? Niet altijd. Want soms doe je in je boosheid iets waardoor vertrouwen verdwijnt. Dat kan gebeuren. Of je maakt een grapje dat niet goed valt. En soms lukt het niet om je aan afspraken te houden. "En", zegt Boekenwurm, die nooit iemand in de weg zit, "soms is het ook gewoon leuk om je niet aan afspraken te houden." Ja, dat herkennen veel kinderen wel. Lekker stout.

Dan zegt Banjer zacht en een beetje verlegen: "Ik weet dat de andere kinderen mij niet altijd vertrouwen. En ik weet ook dat hat komt door hoe ik doe." Het valt even stil in de kring. Iedereen kijkt naar Banjer. Het is waar, ze vertrouwen hem niet altijd. Ze vinden hem aardig, dat wel. En hij is grappig, en zorgzaam, en hij bedenkt leuke spelletjes, maar hij doet soms rare dingen. En je weet soms niet zo goed wat je aan hem hebt. 

Het is een knap staaltje zelfreflectie. Wow Banjer, wat knap dat jij zo goed naar jezelf kunt kijken, en wat stoer dat je het durft te vertellen. In de kring wordt geknikt. Echt knap.

We doen een vertrouwensoefening. Ik leg uit hoe het gaat. Iemand gaat zo op de grond liggen, en andere kinderen mogen hem of haar optillen. Het kind dat wordt opgetild, mag zelf weten wie mag tillen. Kinderen die hij of zij vertrouwt.

Het eerste kind kijkt al zijn tillers om de beurt aan.

"Kan ik je vertrouwen? " "Ja." 
"Kan ik je vertrouwen?" "Ja." 
"Kan ik je vertrouwen?" "Ehm... dat weet ik niet zeker." 


Ik neem het heft in handen. "Dan mag je gaan zitten. Wat fijn dat jij zo eerlijk bent. Een andere keer lukt het vast." Hij knikt, een beetje opgelucht. Hij maakt graag grapjes, en niet altijd op het goede moment. En hij wil zijn vriend niet laten vallen. Dan liever kijken. 

"Wie wil je graag bij je hoofd hebben?" Voor zijn hoofd vraagt hij zijn beste vriend. Iedereen voelt het, dit is een eretaak, een hoofd moet je echt niet laten vallen.

Als het tweede kind bijna opgetild wordt, het is Boekenwurm, die haar vriendinnen vraagt, maar ook kinderen met wie ze niet veel speelt maar die ze wel vertrouwt, vraagt Denkertje zachtjes aan me: "Mag ik zometeen iets tegen de klas zeggen?" Dat mag. Boekenwurm wordt opgetild en weer neergelegd. Ze vertelt dat ze zich veilig voelde, en fijn.

Denkertje neemt het woord. "Ik denk dat kinderen mij misschien niet vertrouwen, omdat ik soms grapjes maak" 

"Ja, dat is bij mij ook." Groot-en-klein-tegelijk neemt het woord over. Niet op een overschreeuwende manier,  maar zacht, bescheiden. "Ik denk dat kinderen mij misschien ook niet vertrouwen, omdat ik soms heel druk ben, en omdat ik soms snel boos word." 

We zijn even stil van zoveel openheid. En dan praten we erover. Vol respect, zonder dat er met vingers gewezen wordt. Dan vraag ik: "Wie vertrouwt Denkertje en Groot-en-klein-tegelijk zo dat zij hem of haar mogen optillen, samen met nog wat anderen?" Er gaan veel vingers omhoog. Een van de vingers is van Banjer. 

Banjer en Groot-en-klein-tegelijk zijn geen vrienden, integendeel, en gaan elkaar op stevig advies van ons en ouders uit de weg. En hier zit Banjer, in de kring, en hij geeft aan dat Groot-en-klein tegelijk hem mag optillen. Ik kan een ander kiezen, er zijn  veel meer vingers. Maar ik kies Banjer. En nu wordt het spannend, want ook Groot-en-klein tegelijk moet dit willen. Als hij nu nee zegt, komt zo'n kans voorlopig niet weer voorbij. Maar hij zegt ja. 

Voor het eerst in lange tijd kijken ze elkaar aan zonder boze blik, zonder bravoure.

"Kan ik je vertrouwen?" "Ja."

Niet veel later zweeft Banjer een stukje boven de grond, gedragen door Denkertje,  Groot-en-klein-tegelijk en een paar anderen. En daarna landt hij weer zacht op de grond. 

"Hoe voelde dat Banjer?" "Leuk!" "En voelde je je veilig?" "Ja!"

Ook Groot-en-klein-tegelijk voelt zich fijn. Hij vond het spannend, maar hij heeft het gedaan. Hij was te vertrouwen en hij werd vertrouwd. Vrienden zullen ze niet worden, dat hoeft ook  niet. Maar er is iets teruggewonnen vandaag.


Na dit prachtige moment is het tijd voor een mooie afsluiter. Wie durft mij op te tillen? Veel vingers gaan omhoog. Niet iedereen durft het aan, maar er zijn er genoeg die om me heen durven staan en me op willen tillen. Aan iedereen vraag ik "Kan ik je vertrouwen?" En dat kan ik. Ik vraag Groot-en-klein-tegelijk om mijn hoofd te dragen. Serieus neemt hij de taak op zich. En even later ben ik degene die een stukje boven de grond zweeft. Nou ja, zweeft, het wiebelt wat, en ze zijn blij als ze me weer neer kunnen leggen, maar ze hebben me niet laten vallen. En ik voelde me veilig in de handen van mijn groep.