vrijdag 11 september 2020

Kleuterjuf

 Opeens ben ik kleuterjuf. Nou ja, opeens, ik wist het vlak voor de vakantie: Een keer per week, groep 1/2, een klas die ik niet ken, op een school die ik niet ken, in een plaats die op een klein bus- en loopuur van mijn huis ligt. Ik stond niet te springen, maar gelukkig heb ik een lieve oud- en nieuwcollega waar ik mee kan meerijden, en op de nieuwe school werken nog een paar oud- en nieuwcollga's. Niet dat we al champagne en oliebollen hebben gehad, maar het was een leuk weerzien. Ook de sfeer in de rest van het team is prettig, en het welkom de onderbouw ronduit warmhartig. 

Ik moet mijn kinderen nog een beetje leren kennen. al ken ik inmiddels de namen wel. 4 van de namen beginnen met de klank Djee, op 3 verschillende manieren geschreven. Een zeer divers groepje kinderen, met grotere uitschieters in gedrag dan ik gewend ben. 

De eerste dag was pittig. Geen wonder. Mijn vuurdoop was het uitleggen van het kiesbord, terwijl de luizenmoeders telkens een stuk of 5 kinderen meenamen en die 1 voor 1 weer terug lieten komen. Tel daarbij op de hele dag regen en, nou ja, dat is eigenlijk al genoeg om de dag tot een zeer gematigd succes te laten verworden. 

De tweede dag gaat al een stuk beter dan mijn debuut. Ik vind mezelf een beetje terug en heb meer grip op de zaak. Tijdens de kring  aan het begin van de dag ligt er een blond ventje onder de tafel op zoek naar gekkigheid en grenzen. Die  grenzen vindt hij als hij samen met een klein, zwartharig meisje, dat de verleiding niet heeft kunnen weerstaan en inmiddels bij hem ligt, de inhoud van de legobak tussen de benen van hun klasgenoten door de kring in zwiept. Onder de tafel liggen kan ik negeren, Lego zwiepen niet.

Was dit vorige week gebeurd, dan had ik door de klas gebulderd dat ze onmiddellijk moesten stoppen. Gelukkig gebeurt het nu. Ik loop naar de bewuste tafel en zeg: "Blond ventje en zwartharig meisje, kom maar even bij mij." Iets in mijn stem moet de boodschap hebben bevat dat het menens was, want ze komen braaf uit hun schuilplaats en lopen zonder verder gedoe mee. Ik zet ze ieder op een stoeltje buiten de kring, "Ik ga zo meteen met jullie praten", en ga door met mijn bezigheden. Er worden blikken gewisseld, er wordt wat gegiebeld, maar een strenge blik van mij als ze er weer vandoor willen, lijmt ze vast op hun plek. 

De rest van de groep is gelukkig al een beetje verder met het begrijpen van het kiesbord en het kiezen verloopt relatief vlot. De kleuters zwermen als een bijenvolkje uit over de verschillende pleinen, een deel van mijn volkje vliegt weg, er komen kleuters van de twee andere volkjes bij.

Te midden van de drukte van de kleuters die om me heen zitten te spelen heb ik mijn strengejufmomentje met blond ventje en zwartharig meisje. Was dit de bedoeling? Mag je met lego gooien? Kun je gewoon in de kring zitten? Als we met de spullen gaan gooien wordt het een grote bende in de klas en gaat het speelgoed stuk, dat willen we niet. Braaf geschud en geknik van twee hoofdjes die ook nog niet zo goed weten wat voor vlees ze met deze nieuwe juf in de kuip hebben. Wennen gaat twee kanten op, dat begrijp ik best. "Nu gaan jullie samen de Lego opruimen en dan kom je weer bij mij. Dan gaan we samen kiezen naar welk plein je gaat." 

Samen de Lego opruimen blijkt nog niet zo eenvoudig. Tussen de andere kinderen door kruipen om alles te vinden, de bak zo neerzetten dat je opruimmaatje er niet bij kan, en eigenlijk is bouwen leuker dan opruimen... maar het gaat langzaam de goeie kant op.

"Kijk blond ventje, achter de paal ligt nog wat." Met ondeugende ogen omklemt blond ventje de paal. 

"Wat doe je?" 

"Paal opjuimen!" 

Oke... ehm.... Ik besluit een gokje te nemen. Ik sla mijn armen op de paal en trek mee, kreunend onder de zware last. "Nee blond ventje, deze is echt te zwaar, die krijgen we er met zijn tweetjes niet eens uit, en ik denk dat hij ook niet in de bak past! Pak die stukjes maar even op." Lachend duikt hij op de grond om de stukjes achter de paal op te rapen. Even later zitten we samen met een meisje uit een andere klas een spelletje te doen aan tafel.

Deze slag heb ik gewonnen. En blond ventje ook.

maandag 17 augustus 2020

Voor 20 cent vertrouwen

Ze staan te smoezen aan de andere kant van het groenteschap. Drie van de vier jongens ken ik, zaten afgelopen jaar bij ons in groep 8. Over de broccoli heen zie ik ze overleggen en fluisterend naar het geld in hun handen kijken. Ineens staan twee van hen voor een mevrouw vlakbij me. De trouwste ogen en de vlotste babbel zijn afgevaardigd. "Mevrouw," beginnen ze onschuldig, "kunt u misschien 70 cent ruilen voor 90 cent? We hebben 20 cent te weinig." Tja, je kunt het altijd proberen natuurlijk. Ik geef ze weinig kans, en inderdaad. "Ik heb geen contant geld meer jongens." zegt ze "en ik denk ook niet dat jullie bij andere mensen veel succes hebben, want bijna niemand heeft nog contant geld in zijn portemonnee nu." Ze heeft een punt natuurlijk. Nog afgezien van de toch wel een beetje gekke vraag. De jongens druipen af. Ineens krijg ik een ingeving. Deze jongens, juist deze jongens, gun ik een gelukje. gun ik het vertrouwen van zomaar iemand .Voor ik het zelf goed en wel in de gaten heb, roep ik de jongens bij me. Ik zie het 'O, shit, betrapt.' in hun ogen. "Wat hadden jullie nodig?" vraag ik. De trouwste ogen leggen uit dat ze 20 cent nodig hebben, want ze hebben maar 70 cent en ze moesten 90 hebben. Ik zoek in mijn portemonnee en vind daar het geluk in de vorm van 20 cent en overhandig het. "Dank u wel!!!" Dit hadden ze niet aan zien komen. "Yes, nu kunnen we..." De rest hoor ik niet meer, ze lopen naar de andere kant van de winkel. Meteen slaat de twijfel toe. Was dit wijs? Kunnen ze voor 90 cent energiedrank kopen? Dat wil ik helemaal niet sponsoren! Wat gaan ze doen met het geld? Moet ik het vragen? Maar ik wil ze juist het vertrouwen gunnen en het niet vragen. Op hoop van zegen dan maar. 

Even later loop ik met mijn dochter en mijn boodschappen over het plein bij de supermarkt. Daar zitten ze op een bankje, met tussen zich in een doos met dubbellolly's. Niks geen energiedrank, ze zitten gelukkig te wezen met de goedkoopste ijsjes die er zijn ."Eet smakelijk mannen!" roep ik ze toe. Glunderend roepen ze "Ja, dank u wel!"

Terwijl ik wegloop vraag ik mezelf nog even af of ik nog iets moet zeggen over verpakkingen en prullenbakken. Neh.... vertrouwen.

woensdag 12 augustus 2020

Het is geen wedstrijdje

Onlangs stond in het AD een brief die viraal ging. Het was de prachtige brief van meneer Hoek, waarin hij  jongeren oproept om vol te houden in deze coronatijd. Zelf was hij jongere in de oorlog, en hij zag 10 jaar van zijn leven in rook opgaan. Een mooie, persoonlijke brief, die viraal gaat. Terecht, want hij brengt iets belangrijks onder woorden, op een prachtige, invoelende manier en heel helder verwoord. Natuurlijk komt die brief ook bij jongeren terecht. En ze worden geraakt, en reageren, onder andere op de site van de NOS. Ze vertellen dat ze het begrijpen. Dat ze echt wel zien dat de jeugd van meneer Hoek vele malen vreselijker was dan wat zij nu meemaken, maar dat zij echt ook veel missen. Vrienden, examengala's, feestjes. Ze zijn verdrietig en voelen zich eenzaam. En op hun reacties wordt ook weer gereageerd: Begrip, maar vooral onbegrip, woede, minachting, van alles komt voorbij. Hoe kun je je gebrek aan feestjes, een verpeste diploma-uitreiking en even niet kunnen chillen met je vrienden nou vergelijken met opgroeien in de oorlog, met alle verschrikkingen die de mensen van toen meemaakten. Schaam je!

Ik kwam de discussie tegen op de facebookpagina van The Best Social Media. Mijn reactie maakte veel los, en dat is de aanleiding voor deze blog.

Ik ben 47. Mijn moeder overleed toen ik 5 was. Vreselijk natuurlijk, je gunt het geen enkel kind. Ik werd opgevoed door een reeks van meer dan 10 gezinsverzorgsters van rond de 20, hoe het met menstruatie zat leerde ik uit een boekje dat mijn vader me toeschoof. Toen ik voor het eerst naar de lagere school ging, ging ik zonder moeder. Ook zonder vader, want die was al naar zijn werk als ik naar school ging. Vanaf mijn 15 kookte ik dagelijks thuis, want vanaf toen hadden we geen gezinsverzorging meer. Toen ik trouwde, stonden we op de foto met mijn schoonouders en mijn vader. Zonder mijn moeder. Ik werd zelf moeder, en kon niet even om advies vragen, kon niet tegen mijn moeder vertellen dat haar kleindochter naar haar genoemd was. Groot verdriet, groot gemis, dat onvermijdelijk mijn hele verdere leven heeft beïnvloed.

Dat betekent niet dat iemand anders niet intens verdrietig mag zijn als zijn hond doodgaat. Je maatje verliezen, waar je voor zorgt, die altijd blij is als je thuis komt, met wie je kilometers door het bos en langs het strand hebt gestruind. Niet te vergelijken met het verdriet om een overleden moeder. Minder levensbepalend, en misschien komt er na een paar maanden wel een nieuwe hond. Maar het is wel verdriet. Ander verdriet, dat er net zo goed mag zijn, met tranen, schokschouderend snikken, missen, rouwen, zo lang en zo veel als nodig is. Het heeft het niet nodig om afgezet te worden tegen mijn verdriet, het mag naast elkaar bestaan.

Mijn kinderen zijn 18, 16 en 13. Een jongvolwassene en twee pubers. Hun leven stond op de kop dit jaar, net als dat van iedereen. Een eerste studiejaar dat heel anders verliep dan verwacht, weer thuis komen wonen in plaats van op kamers, weer een kamer delen met je kleine zusje in plaats van een heel appartement met je beste vriendin, geen studentenleven, Geen gekkigheid met je vrienden, niet af en toe poolen, geen mountainbikeweekend, Een brugklasser die geen brugklas om zich heen had, online lessen volgen in je uppie op je kamer, motivatie behouden zonder contact met anderen,


orkesten die ineens werden stopgezet, een geweldige muziekreis die niet doorging, terwijl ze zich er enorm op hadden verheugd. Als ze later zelf misschien wel kinderen hebben, zullen ze over deze tijd vertellen.: "We konden toen maanden lang niet naar school. Je mocht elkaar niet omhelzen, niet eens een hand geven, want je moest 1,5 m afstand houden, feestjes mochten niet, en de orkesten gingen niet door. Maar gelukkig ging het na een poos wat beter, en toen mochten we weer iets meer, en uiteindelijk werd alles wel weer gewoon, maar dat was pas een jaar later."


Ze hebben nergens moeilijk over gedaan, mijn jongvolwassene en mijn pubers. Ze zien het als iets dat gewoon gebeurt, zonder schuld. Ze houden zich zoveel mogelijk aan de regels. Maar dat neemt niet weg dat het heel verdrietig is. Ze hadden zich verheugd op een mooi eerste studiejaar, op volop brugpieper zijn, op een orkestreis naar Bratislava. Op nog veel meer dat niet doorging of anders was dan anders. Soms waren ze lamlendig, ze misten hun vrienden, ze verveelden zich, konden niet even spontaan iets gaan doen, zoals dat hoort als je jong bent. Brugpieper had zo nu en dan een flinke huilbui, zonder woorden, zonder direct aanwijsbare reden, gewoon verdriet. Maar meestal gingen ze hun gang, deden ze wat moest, en hadden we het samen goed. Ze zijn flexibel genoeg en nemen het leven zoals het is.

Een meneer van 94 zag zijn jeugd in rook opgaan. Een vreselijke jeugd die geen jeugd genoemd kan worden. Mijn kinderen zijn dankbaar dat ze toen niet leefden. Niet te vergelijken met wat zij nu meemaken. Maar dat doet niets af aan wat zij nu meemaken. Aan het verlies van wat had kunnen zijn, had moeten zijn, aan hun verdriet. Het doet er niets aan af, juist omdat het niet te vergelijken is. 

Net als mijn moeder en die hond. Het is geen wedstrijdje.