"Ik blijf hier staan. De hele tijd dat we buitenspelen."
Hij wilde meespelen, maar dat mocht niet. Nou ja... dat mocht wel, maar hij wilde Paw Patrol spelen, en dat wilden de anderen niet. En als je bij een groepje aansluit, dan kun je niet zomaar bepalen wat je gaat doen, dan speel je mee met wat de rest doet. Er was wat geduwd en misschien zelfs wel geschopt.
Boze Jongen haalde bakzeil. Dat gebeurt niet zo vaak, meestal kan hij Zachte Goeierik en de anderen wel overtuigen van zijn gelijk.. Maar vandaag hield Zachte Goeierik voet bij stuk. Hij wilde geen Paw Patrol doen, en stiekem ben ik trots op hem.
En nu staat Boze Jongen naast me. Hij straalt zijn boosheid de wereld in, zonder te schreeuwen, zonder te schoppen of te slaan, maar met zijn armen over elkaar en zijn hoofd op onweer. Niet van plan te gaan spelen. Een dappere keuze, want het plein is bijzonder aantrekkelijk vandaag. Het heeft geregend, maar nu is het droog en niet koud. Maar er ligt nog wel een enorme plas, vijverformaat. Kinderen met of zonder laarzen sjouwen er om- en doorheen, er wordt geschept, geroerd, gegolfd.Kleine Vrolijkerd heeft een krat gevonden, de inhoud eruit gemikt en duwt hem door de plas. Heen en weer, heen en weer. Dan pakt hij een schepje en een schaal en vult met engelengeduld het krat met
water, wat er met dezelfde vaart weer uitstroomt, want aan alle kanten is het krat open. Het lijkt wel een zwemles met kleren aan, doorweekt is hij. Doorweekt en blij.
Ik moet even naar binnen, naar de wc. En als ik weer buiten kom, is Boze Jongen verdwenen. De juf van de andere klas heeft gezegd dat hij weer moet gaan spelen. Maar hij was nog niet klaar met boos zijn.
"Kom, we gaan in de kring, ik ga een boek voorlezen."
"Nee, wil ik niet."
"Maar je was niet boos op mij, weet je nog? En ik wil graag dat je in de kring komt."
Niet lang daarna zit hij in de kring. Nog steeds boos, met zijn handen in zijn zakken en zijn ogen demonstratief dicht, maar eigenlijk stiekem op een kiertje, want de Gruffalo is toch wel spannend en leuk.
En als we gaan eten ("Ik wil niet eten, ik wil thuis eten") gaat hij toch aan tafel zitten, eet hij zijn boterham, en leest hij daarna met een nog steeds boos gezicht een dinoboek. Maar zijn boosheid wordt zachter.
Ik loop naar hem toe: "Boze Jongen, ik zie dat je nog boos bent. Maar we gaan zo weer naar buiten toe, en ik zou het wel heel jammer vinden als je nu weer niet kunt spelen omdat je boos bent. Het is veel fijner als je wel kunt spelen."Overtuigd is hij nog niet, maar hij denkt erover na. En niet veel later raust er, met zijn laarzen aan en
zijn benen omhoog, op een fietsje door de plas, een Blije Jongen.












