zondag 28 februari 2016

Mindset - twee tassen en een trotse dochter

Ze heeft al in haar vinger genaaid. Ze was de stof aan het rechtleggen en vergat het pedaal onder haar voet. Even riep ze nog dat de naaimachine het vanzelf deed, maar ja, echt plausibel klonk dat niet, ook niet in haar eigen oren.
Ze heeft ook al geroepen dat ze echt niet nog een keer ging aanhechten, want de eerste twee keer ging het ook mis. Maar toen ik niet op haar niet uitgesproken vraag om het dan maar voor haar te doen in ging, heeft ze toch nog een poging gedaan. En het lukte.
Ze is scheef gegaan, buiten de stof gegaan, de draad is geknapt, en het spoeltje raakte op.
Maar ze heeft een tas. Zelf ontworpen,  zelf versierd, zelf gemaakt.
Ze vraagt hulp als ze het nodig is (mam, wil je even meekijken of het spoeltje er nu goed in zit?) en doet t zelf als ze denkt dat ze het zelf kan (ik ga eerst nog even strijken hoor, dan naast het lekkerder).
Mijn dochter van 8 heeft haar eigen tas genaaid, op haar eigen naaimachine. En ze is hartstikke trots.
Vandaag ben ik niet thuis. Mijn dochter van 8 naait vandaag een kussentje voor haar zus van 14. Ze kan namelijk beter naaien dan haar zus van 14.  Dat is geen kwestie van talent of gave. Dat komt doordat ze zich niet laat ontmoedigen door scheve naden, naalden in vingers en knappende draden. Dat komt door haar prachtige growth mindset.
Ik heb zelf ook een tas genaaid. Een fijne grote van een lapje waarvan ik ooit in een vlaag van verstandsverbijstering dacht dat ik er n jasje van wilde. 't Is de messengerbag Isabella van Farbenmix.  Had 'm al eerder gemaakt, maar die is aan t verslijten. De band heb ik iets verlengd, zodat ik m over m'n andere schouder kan dragen, da's handiger op de fiets.
En ik heb er een groot extra vak met rits in gemaakt. Ook zo'n mindsetdingetje. Want dat stond niet op t patroon en ik moest t zelf bedenken en het is ook niet helemaal goed gelukt, hij is een beetje uitgezakt. Dus de volgende keer moet ik dat misschien anders doen.
Want een growth mindset, dat betekent niet dat je door positief denken alles maar zo kunt. Maar iets proberen waarvan je niet zeker weet of het gaat lukken, fouten durven maken en jezelf uitdagen, dát is wel een growth mindset!

zaterdag 13 februari 2016

Mindset - een oranje leeuwenpak of een rokje

Afgelopen weekend heb ik met verbazing op de tv gezien hoe volwassen mensen zich in konijnenkostuum, pinguinpak of olifantenoutfit hesen om in weer en wind bier te gaan staan drinken en rond te gaan hossen. Ik ben maar weer verder gezapt mezelf gelukkig prijzend dat ik niet in het zuiden woon en dat ook op de school waar ik werk geen carnaval wordt gevierd. Ik heb een bloedhekel aan verkleden. Als kind vond ik het nog wel leuk om de oude kleren van mijn moeder aan te trekken en als een jonkvrouw een minijurkje van haar te dragen dat bij mij tot op mijn voeten kwam. Maar na die tijd was het over, Definitief.

Helaas voor mij, we doen niet aan carnaval op school, maar wel aan verkleden. Volgende week is het meesters- en juffendag. en het thema is "Ik hou van Holland". Visioenen van oranje leeuwenpakken met klompen, dansmariekejurkjes en Katwijker klederdracht trokken aan mijn netvlies voorbij. Nee toch... toch nog?
Nou ben ik niet voor een gat te vangen. Ik herinnerde me een lapje dat al jaren op de plank ligt. Een heel mooi lapje, duur lapje, dat ik goedkoop van iemand over heb genomen. Al die jaren lag het daar, ik wilde er graag een rokje van maken, maar dan wel eigenlijk een beetje een wijd rokje, want het was zo'n heerlijk soepel lapje katoen. Maar eigenlijk was het lapje net te klein voor een wijd rokje. En het was zo'n mooi lapje dat ik al die tijd een beetje bang was om het te verknippen. Het moest wel echt een mooi rokje worden, dat

mooie lapje. Een tulpenlapje... Tulpen! Wat is er nou Hollandser dan tulpen? Geen beter moment om dit lapje nu maar eens aan te breken!
Ik had wel een patroon voor een rokje, maar dat was een strakkig rokje. En dus werd dit een Project, met een grote P.
Ik schreef het een poosje terug al. Ik kan goed naaien, maar ik heb een patroon nodig. Zelf iets bedenken, da's een ander verhaal, en dat durf ik eigenlijk niet aan. Die stoel is nog steeds bedekt met de deken
die jaren geleden in een kerstpakket zat en is nog steeds niet opnieuw bekleed.

Voor mij ligt mijn tulpenlapje, en het patroon dat past, maar niet wijd is. En ik WEET hoe ik het moet aanpakken, maar eigenlijk durf ik niet. Mijn fixed mindset steekt de kop op. "Ik kan het niet" "Ik heb echt een patroon nodig". "Ik kan wel naaien, maar niet patroontekenen" "Ik kan natuurlijk ook gewoon wel verkleedkleren aantrekken (of ziek zijn op die dag)". Maar heel zachtjes trekt mijn growth mindset aan mijn mouw. "Je kunt het wel proberen" " als je nou eerst een proefrokje maakt, dan geeft het niet als het fout gaat" "het is wel een uitdaging, en als het lukt is het wel heeeeeeeel leuk".
En ik maak een keuze. Ik kies voor het rokje, en tegen het oranje leeuwenpak met klompen.
Ik knip het patroon doormidden en maak het onderste deel wat wijder. Ik maak een proefrokje uit grijs linnen dat ik al wel meer dan 10 jaar heb liggen. Dat voelt als opruimen, een oud lapje er doorheen jagen, da's een bijkomend voordeel. En het proefrokje is draagbaar en eigenlijk best leuk. Het echte rokje mag nog wat wijder. En iets korter. Ik pas weer het patroon aan. Inknippen, wijder maken. Het onderste deel komt als het lukt mooi klokkend aan de bovenrand. Als ik het heel precies op de stof leg, past het net. Eigenlijk kan ik dit gewoon best, al durf ik dat nog niet helemaal door te laten dringen.
Het naaien is eigenlijk niet moeilijk. Gewoon eerst het rokdeel aan de band naaien, en verder spreekt het voor zich.. Een blinde rits erin, en het beleg heel precies met de hand vastgenaaid. Ik werk extra netjes, als een soort cadeautje aan mezelf

Bij het feest loop ik niet in een leeuwenpak, maar in een tulpenrokje, dat ik daarna ook nog heel vaak kan dragen. Voor de gelegenheid wil er ik er nog wel een knaloranje T-shirt bij aantrekken. En niemand zal zien dat ik van al mijn collega's waarschijnlijk verreweg de meeste uurtjes in mijn outfit heb zitten. Maar ik weet dat wel. En ik voel me echt een beetje feestelijk, want ik ben een drempel over gegaan. Ik heb een patroon echt helemaal veranderd, ondanks het stemmetje dat roept dat ik dat niet kan. En ik heb eieieieieindelijk dat lapje gebruikt.


woensdag 3 februari 2016

De helpende hand - geraakt door een boek

De helpende hand, Eva Vriend
"Ik moest aan je denken", appte mijn vriendin toen ze een link doorstuurde naar een stukje op omroep Flevoland. Het ging over een nieuw boek, De helpende hand, van Eva Vriend. Een boek over de geschiedenis van de gezinszorg in Nederland. Dat mijn vriendin aan mij moest denken was logisch. Toen mijn moeder in 1978 overleed, was ik 5, mijn broer 8.
Mijn vader werkte full time, familie woonde niet in de buurt en dus kwam er gezinszorg. Net als bij de schrijfster thuis, ook haar moeder werd ziek in 1978, ze overleed een paar jaar later. Ook in haar gezin kwam vanaf toen gezinszorg, al tijdens de ziekte van haar moeder.Dat was bij ons anders. Mijn broer en ik hebben tijdens mijn moeders ziekte een paar maanden bij mijn opa en oma gewoond, gingen daar ook naar school. Pas na haar overlijden kwam bij ons de gezinsverzorging. Geen gemakkelijke taak: een rouwende vader, twee jonge kinderen. Wat doe je dan, als je daar als meisje van rond de 20 in huis komt? Doe je gewoon het huishouden? Voed je op? Zoek je manieren om troost te bieden?
Ik herinner me een aantal namen, een aantal gezichten, en nog veel meer indrukken. Ze volgden elkaar op, mochten niet meer dan een jaar bij een gezin blijven, want dan zou de band te sterk worden. Dat was het officiële beleid. Meestal werkte het ook zo, op wat uitzonderingen na. Een jaar dus. Met tussendoor vervangers tijdens ziekte en vakanties. Hoeveel het er geweest zijn weet ik niet, maar naar aanleiding van het boek ben ik gaan zoeken en kwam ik een lijstje tegen dat mijn vader de eerste twee jaar bij had gehouden. In die eerste twee jaar na het overlijden van mijn moeder waren het er 10. 10 verschillende vrouwen. Drie ervan herinner ik me, Twee heel goed. En een daarvan, Geeske, hoorde en zag ik in het filmpje dat mij werd doorgestuurd door mijn vriendin. Want Geeske, een lieve, zachte vrouw, onze tweede gezinsverzorgster, was ook bij Eva Vriend geweest.
Wow.
Ineens iemand zien, horen, die een jaar lang voor je gezorgd heeft, toen het het meest nodig was. Het raakte me diep en het raakte me aan. Ik heb direct het boek besteld, had het de volgende dag in huis en ik zocht het hoofdstuk op over Geeske. En daar las ik:

Het tweede gezin waar ze aan de slag ging, functioneerde goed, maar de moeder was overleden. Vader was achtergebleven met twee jonge kinderen. Geeske hielp er vijf dagen per week, acht uur per dag. "Ik zorgde dat het goed bleef gaan. Maakte het huis schoon, verstelde de kleren, bracht het meisje naar gym, legde de schone was in de kast en ontfermde me over het jongetje. Hij was erg op zichzelf en zat altijd maar alleen thuis. Ik besprak het gedrag met de vader. Doel werd het jochie war uit zijn schulp te krijgen. "Kom, we gaan een spelletje doen" zei ik dan. De kinderen begonnen zich aan me te hechten. Ze kropen steeds vaker bij me op schoor, klampten zich aan me vast."

Dit ging over ons. Niet in de zin van "het had over ons kunnen gaan", nee, dit ging over ons. Over mijn vader, mijn broer en mij.
We wilden dat ze bleef, Geeske, maar zo werkte het niet. Om je te hechten heb je geen jaar nodig. Tenminste, niet in het begin. Als je klein bent, zo klein bent, heb je weinig keus. En als je boft, en je krijgt iemand als Geeske die voor je zorgt, dan is heb je het echt wel heel goed, ook als je moeder dood. is.
Maar Geeske ging, en de volgende kwam, en de volgende, en de volgende, en nog veel meer. En van de een mag je geen tweede koekje, want je hebt er al een gehad, en van de ander mag het wel, want het zijn haar koekjes niet. De een doet wel een spelletje met je, de ander niet. De een poetst de cijfers van de knop van de oven, de ander doet zo weinig mogelijk in huis. En bij een heleboel mag je op de bruiloft komen, dat wel.

Ik kon al lang breien toen Anieta bij ons kwam,
dat had mijn moeder me al geleerd
Ook op die van Anieta. Anieta was de eerste gezinsverzorgster van Eva. Van ons was ze nummer zoveel. Anieta maakte indruk op me, want die had zulk prachtig lang bruin haar. En ze gaf tegengas aan mijn nogal brutale en bepalende vriendinnetje. Ze kwam voor mij op, geweldig vond ik dat. Het is me bijgebleven. Ik hoef niet over me te laten lopen, leerde ik van Anieta. Toepassen was een ander verhaal, maar ik wist het in ieder geval.
Over Anieta schrijft Eva dat ze haar en haar zus breien heeft geleerd, want dat vond ze leuk. Een glimlach... Ik kon al lang breien toen Anieta bij ons kwam, dat had mijn moeder me al geleerd. Maar met haar hulp heb ik wel een enorme en erg rode spencer gebreid, waar ik echt HEEL trots op was.

En o, wat herkende ik veel uit het boek. Over het gevoel als er een vreemde auto op de oprit stond, of een vreemde fiets in de tuin. Voelsprieten aan: wat is dit voor iemand? Ga ik hier een relatie mee aan, of hou ik het zo oppervlakkig mogelijk? Is er een klik? Steeds voorzichtiger werd ik. Want al snel bleek dat hoe iemand de eerste dag was niets hoefde zeggen over hoe het na een paar weken was. Iedereen was de eerste dag leuk en gezellig, inclusief wijzelf. Maar wat als de nieuwigheid eraf was?

En dit:

Hoe kijk ik dertig jaar later terug op de manier waarop de gezinsverzorgsters ons op het goede spoor hielden? (...) Toen we de eerste schok te boven waren, hadden we betere begeleiding moeten krijgen bij de verwerking van het verlies van onze moeder.Formeel hadden de meiden ons daarin moeten bijstaan, maar zij waren met hun negentien, twintig jaar te jong voor de heftige situatie bij ons thuis. Bovendien waren ze er nauwelijks voor geschoold.

Een van de vele keren dat ik knikkend zit te lezen. Ja! Zo was het! Het had anders moeten zijn, meer moeten zijn, Maar het was niet anders. En, laten we wel wezen, we hadden geluk dat er gezinsverzorging was. Het sloot lang niet altijd aan bij wat we nodig hadden. En het waren er te veel, veel te veel verschillende, veel te veel verandering. En ze snapten ons niet. Mijn broer niet, die voor zijn lol encyclopedieën las, en mij ook niet, zo slim, maar niet in staat mijn kamer op te ruimen, en te verlegen om om hulp te vragen. En in tranen om niks. Nou ja, niks...
Maar ze waren er wel. Er werd voor ons gezorgd, het ene jaar wat intensiever dan het andere.
En vanaf mijn vijftiende, vanaf de derde klas middelbare school, niet meer. Vanaf toen kookte ik, deed ik boodschappen, eerst nog met mijn broer samen, en daarna alleen. Maar gelukkig was ik daarop voorbereid. Want onze laatste gezinsverzorgster was Marja. En Marja, die leerde ons koken. En huiswerk maken. en lol.

Het boek beschrijft niet alleen de persoonlijke geschiedenis van het gezin van Eva Vriend, maar ook de bredere geschiedenis van het gezinszorg, wat daaraan vooraf ging en wat daarna kwam. Bijzonder om te lezen dat wat ik nog vaag weet van de televisiejournaals van toen, demonstraties, spandoeken, leuzen, eigenlijk zo direct over mij ging. Ik had toen geen idee gelukkig. Maar ik ben dankbaar voor iedereen die toen vocht voor het voortbestaan van zorg voor gezinnen die het nodig hadden. Want hoewel therapie en begeleiding nu veel normaler, en veel beter, is wanneer een ouder overlijdt, was juist de zorg, de gewone dagelijkse zorg toen gegarandeerd. En dat was wat er het meeste nodig was.